Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De andersdenkende kerkgenootschappen zonder onderscheid, hebben — gelijk reeds de oude Kerkvaders schreven — hun aanhangers niet uit de heidenen, maar uit afvallige Katholieken aangeworven". 'tWas hun bedrijf, zegt Tertulliaan, niet de heidenen te bekeeren, maar de onzen afvallig te maken 1). Eerst in de 19e eeuw is het bekeeringswerk der heidenen door de Protestanten voor goed begonnen. De vele thans bestaande Zendelingsgenootschappen onderhouden meer dan 3000 zendelingen en beschikken over een jaarlijksch inkomen van 30 millioen 2). Aan zoo overvloedige middelen heeft tot heden de uitkomst niet beantwoord, zoodat men na lang werken ruim twee millioen bekeerde heidenen telt3). Zelfs Dr. Kuijper moet bekennen: „Tot op zekere hoogte moet dan ook met zelfbeschaming erkend, dat de roomsche missies veel doortastender zijn te werk gegaan. Wat ze in China tot stand brachten, is nog monumentaal. Op de Philippijnen deden ze desgelijks, en dat heel Zuid- en MiddenAmerika thans gekerstend zijn, is aan hun onverdroten ijver te danken: een ijver, die door de Regeeringen van Spanje, Portugal en Frankrijk steeds met voorliefde werd gesteund. De practische koloniale Mogendheden daarentegen, dit mag niet verheeld, waren veel meer op koopmanschap en stoffelijke winst dan op kerstening van deze landen bedacht" 4). En toch zijn de Protestanten uiterst toegevend, wijl zij den nieuwbekeerden, die te voren reeds meer vrouwen hadden, niet zelden toestaan, deze allen te behouden 5). Als de Heer het huis niet bouwt, zal al het werk der bouwmeesters ijdel zwoegen zijn.

Als men van protestantsche zendelingen spreekt, moet men zich geen katholiek missionaris voorstellen, want het verschil tusschen beiden is zoo groot, dat geen vergelijken mogelijk is. „Wie kan het loochenen — schrijft een protestantsch geleerde dat naast het gemakkelijk leven van zoo menig

*) De proescr. 42. 2) Het Genootschap tot Voortplanting des Geloofs kon in 1909 slechts over fr. 6.786.088 beschikken (Annalen, Nov. 1910). 3) Albers, II, § 182, 6o. Zie Katholiek, 42ste deel, bl. 334. 4) Heraut (1 Mei 1910). 5) Katholiek, 29e dl., bl. 320. Wie denkt hier niet aan Luther en Philips van Hessen?

Sluiten