Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hierdoor zonk de slaaf in den diepsten afgrond der zedelijke ellende.

De afschaffing dezer menschonteerende instelling was het groot maatschappelijk vraagstuk, dat aan de Kerk ter oplossing werd voorgelegd.

De Kerk, die ook heden nog een open oog en deelnemend hart heeft voor alle maatschappelijke nooden, de Kerk, aan haar hemelsche roeping getrouw, van haar alles-verwinnende kracht bewust, heeft het vraagstuk van de afschaffing der slavernij ter hand genomen en opgelost. Die eer kunnen zelfs de vijanden haar niet betwisten, maar sommige verwijten haar toch, dat zij te langzaam met die afschaffing is te werk gegaan 1).

De Kerk, die door Gods Geest bestuurd wordt, laat zich nimmer vervoeren door onbesuisde geestdrift, die niet zelden de schoonste ondernemingen mislukken doet.

Maar het was ook volstrekt onmogelijk, de slavernij op eens, als bij tooverslag, van het aardrijk te doen verdwijnen.

a. Bij de Romeinen was het aantal slaven driemaal zoo groot als het getal vrije burgers, en ook bij andere volken waren de slaven ontelbaar.

b. De slavernij was geworteld in de denkbeelden, zeden en gebruiken der heidensche wereld. De grootste wijsgeer der heidensche Oudheid, Aristoteles, leerde dat sommige menschen van nature tot de slavernij bestemd zijn. Het zijn de menschen met zwakke geestvermogens en sterke lichaamskrachten 2).

c. De slafelijke arbeid was bij de heidenen een schande. Aristoteles leerde: „Zij die handenarbeid verrichten, verdienen den naam van burger niet, ze staan gelijk met slaven" 3). Te Rome was het niet anders. Cicero spreekt met de grootste minachting over den arbeid en den werkman4). Men ontmoet denzelfden afkeer van den arbeid bij alle heidensche volken der Oudheid, en ook in onze dagen nog bij de wilde negerstammen, waar de vrouw tot den zwaren veldarbeid veroordeeld is.

') b. v. Guizot, Histoire Générale de la Civilisation Europ., Lejon VI. 2) Polit. \, 2, 5. 3) Polit. D, 1; III, 1; VI, 2. ") Tusc. V, 36.

Sluiten