Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Clemens van Alexandrië l) en Basilius 2), dat er van nature geen slavernij bestaat. God, zoo spreekt Chrysostomus, heeft geen slaven, maar Hij heeft Adam en Eva geschapen gelijk in waarde, met gelijke zielen, gelijke gaven 3). De slavernij, zegt Augustinus, is het kind der zonde, de wrange vrucht van den vloek des Heeren. Zij is een ramp, even gelijk pest, hongersnood en oorlog; daarom moeten allen medewerken, om de slavernij te doen verdwijnen.

De Kerk kende als zoodanig geen verschil tusschen vrije burgers en slaven, en bracht haar beginsel van gelijkheid ook in toepassing. Meesters en slaven knielden voor hetzelfde altaar, nuttigden dezelfde hemelspijze, zaten aan dezelfde liefdemaaltijden of agapen, genoten na den dood gastvrijheid op dezelfde begraafplaats.

Vrijgelaten slaven werden zelfs tot het H. Priesterschap toegelaten, en de H. Callixtus, die eenmaal slaaf was, werd Paus van Rome. Het is zelfs waarschijnlijk, dat slaven van heidensche meesters, buiten hun weten, de H. Wijdingen ontvingen en in den familiekring hunner meesters, als apostelen het Rijk van Christus hebben gevestigd 4). Zoo werden zij, die de heidensche maatschappij den naam van mensch onwaardig achtte, niet onwaardig bevonden, om priesters des Allerhoogsten te worden, het Onbevlekte Lam op te dragen, en als rechters, in het H. Sacrament van boetvaardigheid, de machtigen der aarde te oordeelen.

Zoo werden door de leer en de praktijk der Kerk de dwalingen omtrent de waarde van den arbeid en de gelijkheid van alle menschen gaandeweg uitgeroeid.

De Kerk is hiermede nog niet tevreden, maar zij waarborgt den slaven, ook tegen de burgerlijke wetgeving in, het recht op de H. Sacramenten. Terwijl de burgerlijke wet geen huwelijk van slaven erkent, vereenigt de Kerk de slaven in den echt en schenkt hun al de rechten des huwelijks. De Kerk verzacht niet alleen het lot der slaven, maar spoort haar kinderen ook aan, hun slaven de vrijheid te schenken. Het eerste

!) Paedagog. III, 12. 2) De Spiritu S„ cap. 21. 3) Or. in terrae motum, N. 7. *) Allard, p. 78.

Sluiten