Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

licht ver-kou-den word; de eene jongen is sterker dan de andere.

Piet. Och kom, gekheid! Je moest je wat meer harden tegen de koude. Je zit er 's winters altijd net in-ge-pakt als een oud man-ne-tje.

Jan. Nu, je moogt zeggen, wat je wilt; maar ik zal blij zijn, als 't weer zomer is.

Piet. Wij zullen het niet eens worden, Jantje! Ga jij dan maar thuis bij de kachel zitten; ik ga met de jongens een sneeuwpop maken.

Leve de winter!

Sin-ter-klaas.

Jansje. O , Maartje, wat hebben we gis-te-ren avond een pret gehad! Sin-ter-klaas is bij ons geweest.

Maartje. Zoo, bij ons ook, of ei-gen-lijk zijn knecht. Zijn gezicht en handen waren zoo zwart als roet. Och, och, wat hebben we ge-la-chen !

Jansje. Neen , wij hebben Sin-ter-klaas zeiven gehad. Hij is in de kamer geweest, en heeft in vaders leu ning-stoel ge-ze-ten,

Maartje. Had hij ook een staf in de handen?

Jansje. Zeker, je had eens moeten zien, hoe keurig hij er uitzag met zijn langen mantel en zijn bis-schops-hoed.

Sluiten