Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In November van hetzelfde jaar had de predikant een beroep naar een kleine plaats. Toen kwam er een actie in de gemeente, die ten doel had, hem aan te raden dit beroep aan te nemen. Een brief, opgesteld 5 November en bezorgd 11 November, drukte dit verlangen duidelijk uit. De inhoud luidde: „Daar U op dit oogenblik in de gelegenheid is van standplaats te veranderen, en wellicht op een andere plaats nog tot zegen kan werkzaam zijn, verzoeken ondergeteekenden U beleefd, doch met de meeste aandrang, de roeping naar de Ger. kerk te V... op te volgen. Ondergeteekenden zijn ten volle overtuigd, dat dit èn voor U, èn voor de gemeente Leek tot zegen zou kunnen zijn." Deze brief was onderteekend door 72 meerderjarige personen. Ook mijn handteekening was op verzoek daarbij, ofschoon ik overtuigd was, dat dit schrijven zou werken als „de roode lap op een stier." Gezien 's mans onberedeneerde koppigheid was het te voorzien, dat hij nu zeker bedanken zou. Wat dan ook geschiedde. Zondag 24 Nov. 1918 werd dit „afgekondigd." Een der ouderlingen zou de pred. toespreken. Daarop en daarom verlieten velen het kerkgebouw. Toen na de toespraak staande gezongen zou worden Ps. 134 : 3 (dat zoo veel misbruikte psalmvers!) bleven velen zitien en zongen niet, terwijl nog eenigen heengingen. Wie zou gaarne in zulke omstandigheden worden „toegezongen"? Ik niet! Maar men deed alsof. En ging trots alles, in groote dwaasheid en diep zondig, op de ingeslagen weg voort.

Hetzelfde was gebleken uit de 1 Nov. bekend gemaakte dubbeltallen, bestaande uit een 4-tal personen, die het vertrouwen van zeer weinigen in de gemeente hadden, en die meerendeels in de Geref. leer de onwetendheid zelve waren. Maar juist daardoor als werktuig het meest geschikt. Waarlijk, ook in het slechte is consequentie. Juist daar het meest!

Het zal niemand verwonderen, dat de kerkeraad, onder aandrang van de „arme rijken", weldra een poging moest aanwenden, om „die booze meester" eens onderhanden te nemen. Stemmen als „hij zal er uit" en „hij moet vernietigd worden", waren reeds lang vernomen. Maar met praten alleen komt men er niet. Er moest wat gedaan worden. „Onder de censuur met hem", werd het parool. Ze wisten toen nog niet, dat ze mij daarmee als schoolhoofd heel niet treffen konden. Toen ik ze dit later eens duidelijk maakte, keken ze mij zoo verwezen aan, of ze hun laatste oortje versnoept hadden. Maar in 1919 was hun dit nog niet bekend. Zoo togen ze dus aan de arbeid.

Nadat ik een onbeleefd briefje had ontvangen, kwamen op 21 Jan. 1919 twee ouderlingen bij mij aan de deur, om te praten over huisbezoek. Daar ik op het punt stond een vergadering te leiden, werd hun bezoek vastgesteld op 25 Jan. 's avonds 8 uur. Als ze niet kwamen, zou ik nader bericht ontvangen. Die avond hebben we van 8—10 zitten wachten. Het Moderamen van het Schoolbestuur was tegenwoordig, daar noch zij, noch ik het geraden achtten, met de eerwaarde mannen te spreken zonder getuigen. Waarom, dat zal na al wat ik vermeld heb, zeker wel duidelijk zijn. Echter, de eerwaarde mannen bleven weg. En dat nog wel zonder bericht!

Sluiten