Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Instemming eigenlijk niet. Maar ik was van huis gegaan met het stellig voornemen er „een eind" aan te maken, hoe dan ook. Als de zaak toen was doorgegaan, zou er in ons gezin iets gebeurd zijn, dat ik in elk geval wenschte te keeren. Het was duidelijk, dat mijn vrouw de vele schokken onmogelijk zou kunnen dragen. In dat licht moet men zien, wat ik op de classis zei: „Ik wil me in deze zaak naar de meerderheid van de classis schikken, ofschoon ik het nog altijd een verstandige daad vind, dat ik met de kerkeraad van de Leek in de laatste tijd niet zonder getuigen gesproken heb. Als ik dat in de toekomst wel zal doen, geeft het mij een geruststelling, dat ik de kerkeraad van de Leek hier in zijn ware gedaante heb kunnen laten zien. Maar schuld belijden over het getuigen vragen doe ik niet..." Toen trok een jolig predikant naast me mij aan de mouw en fluisterde: „kerel, hou je stil, dat hoeft ook niet." Ik zeg niet, wie dit zei; daar was de man mij veel te sympathiek voor. En... ik ben van die zijde de laatste jaren nooit verwend. Een oogenblik heb ik de gedachte gehad, deze uitspraak in verband met de aanhangige zaak te ontleden. Maar ik heb het gelaten. Gelukkig, denk ik. Want dan was er wellicht niet een eind aan de zaak gekomen. Echt een einde was het toch ook niet. Kon het niet zijn. Voor mij was echter de keuze toen licht. Ik liet ten slotte liever alle kerken en kerkjes in en buiten de Leek vechten, dan mijn vrouw zenuwpatiënt te zien worden. Dat geen van ons beiden dit ooit is geworden, mag wel een wonder heeten. Meermalen is ons door collega's gezegd: „als ik dit moest doormaken, kwam ik vast in Zuidlaren terecht." Wij zijn daar gelukkig tot nog toe voor bewaard. En hoe duidelijker de slechtheid hier blijkt, hoe minder het gevaar m.i. wordt.

De slotsom, waartoe we op die classisvergadering gekomen zijn, vindt men in het volgende besluit der classis Grootegast, mij schriftelijk toegezonden op 31 Juli 1919: „de classis spreekt uit, dat de censuur, op Br. M. Duisterwinkel toegepast, hoewel niet onwettig, toch te haastig is geschied; adviseert de kerkeraad der Geref. kerk te de Leek, de censuur op te heffen bij bevestiging van het getuigenis van Br. Duisterwinkel, heden 30 Juli voor haar afgelegd, in dier voege, dat hij verklaart, met de kerkeraad zonder getuigen te willen spreken over alle zaken, die tot het ambtelijk werk behooren."

In een antwoord, door mij op 5 Aug. 1919 aan de scriba van de classis verzonden, heb ik, na samenspreking met het Moderamen, verklaard mij hierbij „neer te leggen". Dat is na het bovenstaande te verklaren; niet uit deze slappe uitspraak van de classis. De zaak bleef in de Leek zooals ze was. Beter gezegd, de kanker vrat voort. Zachte dokters, vuile wonden. Immers, hier was iemand gecensureerd. Dat wil zeggen: als hij vasthoudt aan zijn zonde, en geen schuld wenscht te belijden, gaat hij verloren. Men kan daar wel omtoe praten en spreken van uitsluiting uit een kerkgemeenschap of i.d. Maar dat is de kracht van de censuur niet. Als een kerkeraad niet in gemoede overtuigd is, dat de persoon in kwestie voor eeuwig verloren gaat, als hij blijft zoo hij is, dan mag met de censuur in geen enkel opzicht begonnen worden. Welnu, ik verklaarde, geen schuld te willen belijden, maar mij alleen te willen schikken. Er me „bij neer te leggen" slechts. Ook heb ik er nimmer schuld voor

Sluiten