Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hebben, naar ze zeiden, ik kan dat niet. Wei aan het feit, dat ér nog menschen zijn, die meenen, dat zulk een man het Evangelie predikt. Hij kon niet bidden voor mijn terugkeer. Hij was Mij, dat hij 't zoo kon bekend maken. Zóó denk ik over die arme man!

Volgens alle deskundigen, die ik er over hoorde en waarvan ik hoorde, bestaat er geen „derde trap". In de D. K. O. is er ook volstrekt geen sprake van. Of men 't er niet in kan leggen? O ja, wel veel meer!

Kort daarop, 30 Oct., was 't classis. Toevallig was mijn broer daar als ouderling aanwezig. Zoodat ik het volgende met zekerheid zeggen kan. Daar hebben verscheiden predikanten eerst tegen die „derde trap" van censuur gesproken, als iets dat in onze kerken niet bestaan kon. Echter werd er iets voorgelezen, misschien een professoraal advies of i.d., en toen kon het plotseling wel. En toen werd het zoo: 4 weken na de derde trap zou afsnijding volgen, „indien er niet geprotesteerd ware". Een drietal buiten onze groep had n.1. tegen de derde-censuur-trap geprotesteerd. Door dit protest is het zaakje op de lange baan gekomen. En dit protest zal wel gretig zijn aangegrepen, om de dwaasheid van de Leekster kerkeraad te bedekken. Iets wat intusschen niet meer mogelijk is. Sedert heb ik van een volgende „trap", noch van afsnijding iets gehoord of vernomen. Ook de slachtoffers van de „eerste trap" hoorden geen stem, geen antwoorder, geen opmerking, 't Gaat hier in de Leek vreemd toe, vindt u ook niet?

• * *

Ondertusschen had onze „Gereformeerde Evangelisatie", zooals we onze groep gewoonlijk noemden, zich langzaam aan uitgebreid, en naderde het aantal personen de 50. Tegelijk begon zich steeds meer de meening baan te breken, dat deze voorloopige toestand in een ander stadium begon te komen. Dit kwam niet onverwacht. Voor we apart gingen vergaderen, heb ik op een onzer samenkomsten uiteengezet, dat, (indien de kerkelijke toestand niet verbeterde, dus verergerde) uit onze godsdienstige samenkomsten noodzakelijk moest voortkomen een doleerende gemeente, indien men althans niet weer het hoofd in de schoot legde en alle actie staakte. Allen, die deze consekwentie niet aandurfden, heb ik reeds in Mei 1928 ernstig aangeraden, niet mee te doen. Een nu reeds overleden broeder heeft het eerste woord gesproken, dat ons een stap verder deed gaan. Overeenkomstig zijn verzoek werd op een vergadering 4 Dec. 1929 de zaak der doleantie ter sprake gebracht. Het resultaat van onze bespreking is geweest het besluit, dat is uitgedrukt in de aan het begin van dit boekje afgedrukte verklaring. Door 17 hoofden van gezinnen werd dit stuk aanvankelijk onderteekend. Echter trokken

2 hun handteekening een paar dagen later terug. Een dier beide broeders bezoekt evenwel geregeld met zijn gezin onze samenkomsten. (Thans zijn er 18 aangesloten gezinnen).

Op Zondag 8 Dec. 1929 werden na de middaggodsdienstoefening

3 ouderlingen en 2 diakenen verkozen, die op Nieuwjaarsmorgen 1930 door onze oudste broeder W. Westerbrink, wien dit door de gemeente was opgedragen krachtens het ambt dter geloovigen, als

Sluiten