Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

paalde secte in die eerste tijden der Christelijke Kerk bekend stonden, vinden we in Openb. 2. Ze komen daar voor als NicolaUten, met name in den brief aan de gemeente van Pergamus (vs. 15). Zij brachten de leering van Bileam in praktijk door mede te doen aan de offermaaltijden der heidenen en de daarmee gepaard gaande hoererij. Werd de gemeente te Efeze geprezen, omdat zij door getrouwe tuchtsoefening het kwaad der Nicolaïeten uitbande en weerde (vs. 6), Pergamus was in dezen nalatig en werd daarom tot bekeering geroepen. Die leering der Nicolaïeten toch is voorwerp van Gods haat (vs. 6 en 15). Desondanks kankerde ze ook in de gemeente van Thyatire voort, onder leiding van de goddelooze vrouw Jezabel, die zelfs de dienstknechten Gods verleidde (vs. 20). Wel een bewijs, hoe de antinomiaansche dwaling van stonden aan een gevaar is geweest voor de de gemeente van Christus.

De Kerkgeschiedenis leert ons voorts, dat zij inderdaad voortdurend het evangelie der vrije genade Gods in Christus als zijne schaduw vergezelt.

Het was niet het minst die antinomiaansche kanker, waardoor de Kerk na het verscheiden der apostelen werd bedreigd. Het nomistisch gevaar, dat in de secten der Nazareeërs en Ebionieten opstak, werd welhaast bedwongen. Hunne leer, dat de onderhouding van de ceremonieele wet des Ouden Verbonds nog eisch is, ja voor de zaligheid noodzakelijk, was betrekkelijk spoedig uitgebannen. Maar hardnekkiger werkte de invloed van het Gnosticisme voort, dat niet minder dan twee eeuwen lang zich sterk liet gelden. Volgens de Gnostieken moet het Oude Testament en dus ook de Wet beschouwd worden als de openbaring van een lageren God en heeft in Christus de hoogste God zich aan ons geopenbaard. De christen, zeiden zij, is diensvolgens geroepen, de Wet van Mozes te verachten en zelfs te trotseeren. Velen hunner gaven zich daarom aan de zonde over, met name aan de zonde van wellust, en 'noemden dit een dooden van het vleesch.

Sluiten