Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ging te weerstaan, die het werk Gods in ons wil verheffen ten koste van het werk Gods omtrent ons, die het aannemen van Christus' weldaden vooraf wil doen gaan aan de rechtvaardigmaking. Dat moet uitloopen op Remonstrantsche dwaalleer. Maar evenzeer hebben we ons te wachten voor elke onderschatting van het werk Gods in ons, voor een verzwakken van de beteekenis des geloofs. Want zoo verzeilt ge in de antinomiaansche wateren. De Supralapsarist moge zooveel mogelijk trachten, het doortrekken van de antinomiaansche lijn te keeren. Hij moge plaats laten voor berouw, bekeering, gebed om vergeving. Ontegenzeggelijk staat hij met zijne scheiding van rechtvaardigmaking en geloof in beginsel op het pad, dat naar de antinomiaansche ketterij voert. Noemt men het geloof een zien, dat wij gerechtvaardigd zijn, inplaats van het middel, waardoor wij gerechtvaardigd worden, dan is men met één stap bij den antinomiaan, die leert, dat het geloof niets anders is dan het afleggen van een waan, als zou God op ons toornen.

Zoo worden we met allen ernst vermaand, de belijdenis vast te houden, dat wij door het geloof Christus worden ingelijfd en al zijne weldaden aannemen (Heid. Cat. Zond. 7); de belijdenis, in onze Confessie aldus uitgedrukt: „Maar Jezus Christus, ons toerekenende alle zijne verdiensten en zoo vele heilige werken, die Hij voor ons en in onze plaats gedaan heeft, is onze rechtvaardigheid; en het geloof is een instrument, dat ons met Hem in de gemeenschap aller zijïier goederen houdt, dewelke, onze geworden zijnde, ons meer dan genoegzaam zijn tot onze vrijspreking van onze zonden" (Art. 22).

In de derde plaats maant ons de dwaling der antinomianen tot ernstige handhaving van den eisch der goede werken. In onzen Catechismus belijden we de onmisbaarheid van een Godzaligen wandel. Tegenover de beschuldiging, als zou de leer der vrije genade tot zorgeloosheid en goddeloosheid voeren, zegt Zondag 24: „het is onmogelijk, dat zoo wie Christus door een oprecht geloof ingeplant is, niet zoude voortbrengen vruchten der dank-

Sluiten