Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stukken van zaligmakende kennis der waarheid: ellende, verlossing en dankbaarheid, zooals onze Catechismus ze noemt. Om dan te besluiten met een enkel woord over de bron des heils, de uitverkiezing.

Over de verdorvenheid des menschen zeggen de „Leerstellingen van het Leger" niet veel. Art. 5 luidt aldus: „Wij gelooven, dat onze eerste ouders geheel rein waren geschapen, maar dat zij door hunne ongehoorzaamheid hunne reinheid en hun geluk verstoord hebben en dat, tengevolge van dien val, alle menschen zondaars geworden zijn, geheel en al bedorven en als zoodanig blootgesteld aan Gods toorn". Vluchtig wordt heengegleden over de schepping van den mensch. Van Gods beeld, naar hetwelk de mensch werd geformeerd, wordt niet gerept. Van den staat der rechtheid en het verbond der werken is geen sprake. „Geheel rein", die twee woordjes moeten den ganschen schat der oorspronkelijke gerechtigheid en heerlijkheid tentoonstellen. En het kan wel niet anders, de ellende van den natuurlijken mensch wordt hier zeer licht geacht. De gevallen zondaar is „bedorven", let wel, niet „verdorven". Elders heet het (bl. 22): „hij is ontaard, dat wil zeggen, verstoken van Gods tegenwoordigheid en macht in zijne ziel". Van den geestelijken dood, van het „ganschelijk onbekwaam tot eenig goed en geneigd tot alle kwaad" wil het Leger blijkbaar niets weten. De mensch kan dan ook uit zichzelven nog veel goeds doen, ook in geestelijk -opzicht. Hij heeft zijn vrijen wil behouden. „Wie nu maar wil, kan gered worden", zegt Art. 6. Onomwonden wordt het dus uitgesproken, dat het Leger huldigt de oude verderfelijke dwaling van Pelagius. Erfsmet en erfschuld komen in het woordenboek van het Leger dan ook niet voor. En op zeer oppervlakkige wijze wordt gesproken over de straf der zonde. De zondaar is „blootgesteld aan Gods toorn", deze matte, slappe uitdrukking moet vervangen de duidelijke uitspraken der Schrift, als: kinderen des toorns en verdoemelijk voor God.

Sluiten