Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in zijn betrekking tot Hem den bijstand van geen ander mensch. Maar wanneer hij onmachtig is zich te verheffen tot de hoogte waarop men God ontmoet en hij verlegen staat voor de levensraadselen, terwijl hij toch beseft dat het zeer wenschelijk voor hem is den Onzienlijke te kennen en te dienen, dan neemt hij zijn toevlucht tot menschen, van wie hij onderstelt dat zij den weg weten. En wanneer in breede kringen het pijnlijk gevoel leeft dat onder de tijdgenooten niemand is, van wien men vertrouwt dat hij de waarheid bezit en men ook niet gelooft dat God zich heden openbaart als weleer, dan ziet men naar het verleden, waarin Hij, naar men meent, wel tot uitverkorenen gesproken heeft, en klampt zich vast aan wat zij nalieten. Dientengevolge ontstonden onder verschillende volken Heilige Schriften en bleven ze in eer. Zoo ging het ook onder de Joden in de laatste eeuwen vóór onze jaartelling. In het gevoel dat God niet meer sprak nam men zijn toevlucht tot de mannen van vroeger, die hadden durven zeggen: God heeft tot mij gesproken, nam hun geschriften aan als het woord Gods, las ze met klimmenden, eerbied en onderwierp zich aan hun gezag". >)

Volgens de beschouwing der modernen is de Bijbel alzoo niet het Woord Gods, maar een louter menschelijk boek. In den Bijbel spreekt niet God tot ons menschen, maar spreken menschen van hun God, menschen van bepaalde tijden tot hun tijdgenooten. De Bijbel bevat de godsdienstige letterkunde van Israël en van de oudste Christenheid, wij leeren er den godsdienst van Israël, van Jezus en van de eerste Christenen uit kennen. In stede van aan bijzondere openbaring te danken te zijn, is deze godsdienst vrucht van evolutie. Door de modernen wordt op de religie de evolutieleer toegepast d. w. z. ook op godsdienstig gebied heeft het hoogere zich allengs uit het lagere ontwikkeld door natuurlijke oorzaken alleen. Uit lagere, heidensche godsdienst-

1) Prof. Dr. H. Oort, Inleiding op den Bijbel, Voor denkende menschen, III, 2, Baarn, Holl.-Drukkerij, blz. 1.

Sluiten