Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dat die gemeente in Hem is begrepen en daarom in en met Heni is gekruist, gestorven en begraven, en eveneens opgewekt uit de dooden en gezet in den hemel. Dat dan ook die gemeente deelt in de vruchten van zijn verzoeningswerk. Juist op die organische eenheid van Christus en zijn gemeente rust het plaatsbekleedend en borgtochtelijk karakter van Jezus' verzoenend lijden en sterven. Uit die eenheid vloeit voort, dat Hij voor haar tot zonde werd gemaakt en dat Hij, niet slechts de verzoener, maar de verzoening is voor haar zonden (1 Joh. 2:2). Doch op twee dingen komt het hierbij bovenal aan; ten eerste, dat die eenheid van Christus en de gemeente haar oorsprong vindt, niet zooals van Ethische zijde wordt geleerd in de wedergeboorte of heiligmaking, welke aan de rechtvaardigmaking zou voorafgaan '), maar in het eeuwig raadsbesluit Gods, waarbij de gemeente in Christus is uitverkoren (Ef. 1:4); en ten tweede, dat naar ons menschelijk en dies feilbaar oordeel tot de gemeente, die het lichaam van Christus is, behooren de geloovigen met hun zaad en van die gemeente moeten uitgesloten worden degenen, die, zij het ook onder den Christelijken naam, onchristelijke leer of leven voeren (Catech. Zond. 31 vr. en antw. 85). Doch zoo bedoelt helaas, Dr. Muller het niet. Hij legt toch: „De gemeente treedt in dit verband als een geheel op, waarbij natuurlijk haar feitelijke toestand niet buiten rekening blijft. Dit werd vergeten, toen men ter wille der praedestinatie-theorie sprak van eene bizondere verzoening alleen voor de uitverkoornen. ^Schriftmatig is het te stellen, dat de geheele gemeente, hoe het ook zij, der soteria (d. i. behoudenis) deelachtig is". Men gevoelt, hoe dit lijnrecht tegen de Gereformeerde leer ingaat en allerminst Schriftmatig kan genoemd worden.

Moge door deze korte bespreking het gevoelen der Ethischen over den persoon en het werk van Christus eenigszins duidelijk zijn geworden voor de eenvoudigen

i) Zie blz. 11.

Sluiten