Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

t. Reeds hier wil ik toelichten de stelling,waarbij ik in het eerste deel van het referaat uitkom, n. 1. dat niet alleen het koninkrijk Gods en de koninkrijken der wereld geen tegenstelling vormen.maar dat de koninkrijken der wereld in het koninkrijk Gods moeten worden geheiligd en daaraan dienstbaar moeten worden.

Aan die stelling ligt ten grondslag een bepaalde beschouwing over de verhouding van de algemeene en de bijzondere genade.

Tweeërlei beschouwingen staan hierin onder ons tegenover elkander. Volgens de eene beschouwing greep Gods algemeene genade bij den zondeval onmiddellijk remmend in ; het verderf werd onmiddellijk gestuit en kon dus niet ten volle doorwerken ; zoo moet al wat nu vrucht is van algemeene genade beschouwd worden als nabloei van den scheppingszegen. De algemeene genade mag volgens deze beschouwing niet worden herleid tot Christus, den Vleeschgewordene, den Gekruisigde en Opgestane, wel tot den Zoon, den eeuwigen Logos, den «Scheppingsmiddelaar» en voorts tot God drieëenig. De bijzondere genade is dan een bij deze constellatie der dingen bijkomende factor en geldt slechts het directreligieuze leven en de kerk als instituut, waarin het direct religieuze leven tot uiting komt. De overige levensopenbaringen staan dan bij geloovigen en ongeloovigen onder de heerschappij der algemeene genade. Zoo zien de aanhangers van deze beschouwing een horizontale lijn : daarboven ligt het direct-religieuze leven der geloovigen, dat vrucht is der bijzondere genade, daaronder liggen de overige levensopenbaringen van geloovigen en ongeloovigen, waarin de algemeene genade bewarend werkt. Rechtstreeks daartegenover staat de andere beschouwing, volgens welke de wereld door den zondeval voor God verloren was;God heeft echter het verlorene gezocht, en de wereld als geheel hersteld in Christus, den Gekruisigde, den Opgestane als den nieuwen wortel; velen vinden echter aan dezen nieuwen wortel geen persoonlijke aansluiting, ze vallen straks als doode takken uit. Naar deze beschouwing zijn algemeene en bijzondere genade in beginsel één, zijn beide te herleiden tot het kruis van Christus, en bedoelt de bijzondere genade herstel van het leven in al zijn openbaringen. Voor een geloovige als geloovige bestaat dus geen algemeene genade ; al wat hij uit het geloof leeft, op welk terrein ook, leeft hij door bijzondere genade; wel zal er voorloopig nog veel in hem zijn, dat alleen gevolg is van karakter en aanleg,maar zoodra het contact krijgt met den wortel van het geloof, is het aan te merken als voor eeuwig reddende genade. De aanhangers van deze beschouwing zien een vertikale lijn : links ligt het geheele leven der ongeloovigen en rechts het gansche leven der geloovigen, voor zoover het ten minste uit geloof geleefd wordt.

De beschouwing, die aan het referaat ten grondslag lag, was de tweede. Het gaat niet aan, hier die keuze voldoende te motiveeren. Wel

Sluiten