Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zijn beulen? En hoor, - Hij bidt voor hen. Hij spreekt hen niet maar zachtmoedig aan, - 't ware al véél; doch Hij bidt voor hen; dat is het hoogste; het is de liefde van het hart.

Nu is Jezus gekruisigd.

Nu hangt Hij daar in onduldbare lichaamspijnen, terwijl de toorn Gods zich al dichter legert om Zijn ziel. Nu mag Hij met Zichzelven bezig zijn. Neen, - 't is nóg niet genoeg; 't begint wéér. Daar brengt Gods hand Maria bij het kruis. Ja, - óók opdat zij verzorgd zou worden; maar zie toch daarop niet alleen. Zie op Jezus; op wat de Vader van Hém vordert. En God voert hier Maria onder het oog van Jezus, om aan den Middelaar den vollen eisch der wet te stellen: - „heb ook Uw naaste lief!"

En nu? - heeft Jezus nu eindelijk geweigerd om altijd maar niets voor Zichzelven, en alleen alles voor anderen te zijn? Is Jezus als wij, die, wanneer we pijn of zorg hebben, het recht meenen te bezitten om de menschen van ons af te wijzen? Neen, neen, - maar Hij, die Zichzelven Zijn gansche leven weggegeven heeft, Hij geeft Zich óók nog weg in Zijn nameloos lijden. Hij ziet Maria aan met oogen vol liefde; Zijn hart dringt in haar smart in, en Hij zorgt voor haar, en geeft haar een beschermer.

Evenwel, ge zoudt kunnen zeggen: - Ja, maar Maria was Jezus' eigen moeder. Kan op haar wel de naastenliefde van Jezus getoetst, terwijl Hij in de smarten van het kruis verkeert? Welnu, - dan zal God nog een ander bijbrengen. Reeds is hij er.

Daar begint naast Jezus een der gekruisigden te spreken. Hij had Hem eerst gelasterd. Hij was een vijand van Hem. Dat was een andere dan Zijn moeder. Maar nu begint Hij, met ontwaakt geweten, te klagen en te roepen. „Gedenk mijner!"

Sluiten