Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Elke stap is een belijdenis: - „Zie, Ik kom"... En hoog klimme op Goeden Vrijdag vanuit de gemeente de eere voor Jezus Christus, die in volmaakte vrijwilligheid zich voor haar gegeven heeft in den bitteren dood des kruises.

Hij ging uit.

En waarvan ging Jezus uit?

Van Jeruzalem. Van de stad, die Hij liefhad, getuige de tranen die Hij gestort had bij de gedachte aan haar ondergang; van de stad, die Hij had willen redden, en welker kinderen Hij wilde vergaderen. Dat Jeruzalem verwerpt Hem, en roept om Zijn bloed, en drijft Hem de poort uit naar de gerichtsplaats. Jezus gaat uit als een verworpene; en Hij maakt in dezen gang al de smart door van de miskende liefde, een smart te dieper naarmate de liefde inniger was. En nóg feller is de zielepijn bij dit uitgaan. Want Jeruzalem is de stad Gods. Daar woont de Heere temidden van Zijn volk. Daar is de TempeL waarin de gemeenschap met den Heiligen Israèls door het verkoren volk genoten wordt. Jeruzalem is voor dien tijd de Kerk, de heilige Kerk des Heeren. En daarvan gaat Jezus uit; als een onreine, een gevloekte, die van het volk en het aangezicht des Heeren uitgebannen wordt. Jezus verlaat de Kerk, de gemeente des levenden Gods. Neen, - niet slechts in beeld, of bij wijze van vergelijking; maar in schrikkelijke, in zielbrekende werkelijkheid. In de werkelijkheid van Gods bedoeling, dat Hij, als de Borg der Zijnen, met hun schuld beladen, als de grootste der zondaren, door Gods toorn en recht moest worden uitgebannen uit de gemeenschap der heiligen en afgesneden van Gods Kerk. Dat was Zijn gaan over den kruisweg, Zijn uitgaan uit Jeruzalem; zooals de apostel het bedoelt, wanneer hij zegt dat Jezus buiten de poort, buiten de legerplaats gestorven is. Dat, dat heeft Jezus verstaan en doorvoeld en doorleden bij Zijn uitgaan uit Jeruzalem. Dat is het geweest: - „En Hij, dragende Zijn kruis, ging uit".

Sluiten