Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het staat vast: uw begrip van „Kerk" brengt mee, vordert zelfs, dat zij onverdraagzaam is. Dus ook de Hervormde Kerk. Gij wilt grenzen gesteld hebben, grenzen voor „ het geloof," grenzen vooral voor „ de leervrijheid;" en al wie deze grenzen overschrijdt, die moet door de Kerk geweerd, en, zoo hij niet uit eigene beweging haar verlaat, door haar uitgeworpen worden. Dat is, meent Gij, het regt en de pligt der Kerk; alzoo moet zij voor haar zelfbehoud zorgen.

Laat ons dit beginsel eens toepassen, en zien wij dan, hoe wij er mee uitkomen.

Wij willen zeer onbekrompen zijn, en de grenzen zoo wijd mogelijk stellen. Wij willen zelfs maar ééne bepaling maken, ontleend aan hetgeen Gij zelf zegt, dat mede de hoofdinhoud van het Evangelie, de historische grondslag der Kerk en een hoofdbestanddeel van het christelijke geloof is: „AI wie ontkent, dat Jezus ligchamelijk uit het graf verrezen en ten hemel gevaren is, of Jezus' opstanding uit de dooden alzoo predikt, dat hij het geloof aan dit feit niet voor onmisbaar houdt tot zaligheid, die moet geweerd of tot zwijgen gebragt worden."

Zetten we nu de Kerk aan het werk, om deze bepaling te handhaven, dan zal zij, meent Gij, omtrent diegenen van hare leden, die aan dit leerstuk twijfelen of het ontkennen, passief moeten zijn en hen ongedeerd moeten laten gaan, want, zegt Gij, „deze leden dringen aan de Kerk niets op," bl. 16. Dit is mij wel niet regt duidelijk, — want als b. v. een huisvader onder zijne kinderen en huisgenooten, een vriend in zijn vriendenking, een colporteur bij degenen, die naar hem hooren

Sluiten