Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Doch hóe dit zijn moge, — voor de Modernen is, meent Gij, geen wettige plaats in de Kerk; zij zijn indringers, en moeten, zegt Ge, bl. 19, met hun Evangelie en met hunne christologie de Kerk verlaten, om, zoo ze willen en kunnen, zeiven eene kerk te stichten. Maar ik bid U, wanneer men nu dien overeenkomstig de Kerk tot de moderne Predikanten laat spreken, gelijk Gij doet, laat men haar dan — ik spreek altijd van de Hervormde Kerk — laat men haar dan haar eigenlijk levensbeginsel, het groote beginsel van het Protestantisme niet verloochenen? en legt men haar geen woorden in den mond, die zij, zoo ze zich van haren oorsprong en van haar innerlijk wezen bewust is, nooit of nimmer kan spreken? en dringt men haar niet eenen geest op, van welken zij, als ze opregt wil zijn, moet zeggen: Wat van dien geest van onverdraagzaamheid en uitsluiting vroeger in mij was en nog in mij is, dat is een overblijfsel van den ouden zuurdeesem van het roomsche Farizeïsme, dat mij, ondanks mij zelve, is blijven aankleven, en waarvan ik mij nu niet dan zeer langzaam kan zuiveren?

Inderdaad, hoe nader ik de zaak beschouw, hoe scherper ik den oorsprong en het wezen van het Protestantisme in het oog vat, des te duidelijker wordt het mij, dat op haar gebied noch van ketterjagerij, noch van uitdrijving of afzetting om godsdienstige begrippen of dogmatische afwijkingen of ongehoorde leerstellingen, sprake mag zijn. Maar zoo daarvan ooit sprake kon zijn, dan zou het moeten wezen met het oog op hen, die het beginsel van het Protestantisme, d. i. het vrije

Sluiten