Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nen gerust op vrijwillige bijdragen vertrouwen ; toch zou ik om ons werk direct materieele vastheid en kracht te geven, willen voorstellen : dat ieder (behoudens bijomstandigheden, die hijzelf voor God moge verantwoorden, en waarin wij ons in het geheel niet mengen) jaarlijks één procent van zijn inkomen (door hem zelf te bepalen) geeft voor de algemeene kas. Zoodat in theorie elke twee honderd, die meedoen, één persoon kunnen vrijmaken om zich geheel er aan te geven, terwijl ook voor diens arbeid dan nog geld is. Op die manier had de Gemeentedagbeweging nu reeds vijf personen volop aan den arbeid kunnen hebben ; maar alleen bij een meer doelbewust en bepaald omschreven arbeid als van onze Arbeidsgroep, en bij een zoo groot doel als wij hebben, is een financieel voorstel als ik noemde, mogelijk. Ik kan er bij voegen, dat ik van sommige vrienden reeds herhaaldelijk, ongevraagd, bijdragen voor dit werk ontving ; ook naar de éénprocentsregel, die ik immers in Elspeet bij een bespreking eens noemde ; zelfs ook wel hooger. Het komt mij voor dat deze regel niet alleen ons werk sterk zal maken, maar ook het gevaarlijke, oppervlakkige meedoen iets zal beperken. *)

*) Ik heb enkele malen in plaats van het woord „leden", dat zoo algemeen is, en als verzamelnaam voor „broeders en zusters" het woord „vrienden" gebruikt. Het gebruik van dit woord voor leden van de gemeente is niet van mij. Jezus zelf noemde op den laatsten avond de zijnen „vrienden". En Hij gaf dat woord een diepen zin. Zij hadden Hem niet gezocht ; maar Hij had hen gezocht; zij waren Zijn vrienden. Hij wees hun er op, dat Hij hen liefhad met die grootste liefde die ook het „leven geeft voor zijn vrienden". Hij zeide : „Ik heb u vrienden genoemd, want alles wat ik van mijn Vader gehoord heb, dat heb ik u bekend gemaakt." Maar ook legt Hij in datzelfde woord „vrienden" onze taak. „Gij zijt mijne vrienden, zoo gij doet wat ik u gebied. En dit is mijn gebod, dat gij elkander liefhebt, gelijkerwijs ik u heb liefgehad." (Joh. 15 : 12—17). Alleen het feit dat de Quakers zich altijd Vrienden noemen, heeft mij weerhouden het als een ófficieele naam voor te stellen. Een kring van „Vrienden" ; een Verbond van „Vrienden" (n.1. van den Heer, en van elkander). De liefde van Christus en onze liefde taak aan elkaar ligt er in opgesloten. Misschien dat deze opmerking er toe bijdraagt, dat wij dien naam, dien Hij gaf, onderling ook eens meer gebruiken. Daar had ik deze lange noot voor over.

Sluiten