Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hoofdstuk van den H. Matthaeus spreekt Christus tot zijne leerlingen over de wijze, waarop men zich te gedragen heeft tegenover een broeder die ons beleedigde. Als vermaning niet helpt, dan (is het laatste woord) „ zeg het „ aan de Kerk: hoort hij de Kerk niet, dan zij hij u als „een heiden en tollenaar.11 Dat beteekent: als de Kerk hem vermaand heeft en hij ook hare stem versmaadt, besehouw hem dan niet langer als medelid dier Kerk, maar als iemand die buiten haar is gesloten. Wie nu is die Kerk, die den misdadige vermanen zal ? Wie .zijn het, die gehoord moeten worden, op straffe van als heiden en tollenaar te worden gehouden ? Christus zegt het ons; onmiddellijk na de aangehaalde woorden laat Hij volgen : „Voorwaar, Ik zeg u, al wat gij bindt op de aarde, zal „ ook in den hemel gebonden zijn; en al wat gij ontbindt „op de aarde, zal ook in den hemel ontbonden zijn.'" Binden kan hier in den zamenhang slechts het buitensluiten buiten de gemeenschap der Kerk, ontbinden slechts het opheffen dier straf beteekenen. Zoo dan spreekt het Evangelie, niet anders de Katholieke Kerk; en natuurlijk ïs het dat, wanneer Christus zijne Kerk als maatschappij instelde, zij die aan haar hoofd staan - een regt hebben, wat aan geen hoofd eener maatschappij wordt ontzegd. Toch gaat de heer Zaalberg bij dit punt het hevigst te keer, en om het heviger te doen, legt hij alle schaamte af en spreekt logentaal, zoo vlak als iemand logentaal spreken kan. Vooreerst kent hij aan de priesters, zonder onderscheid, de magt toe van te straffen met den kerkelijken ban: onwaar; dan verwart hij dien met het kerkelijk verbod om op bepaalde plaatsen de uiterlijke godsdienstplegtigheden tot zekere hoogte te vieren, en zegt dat „ dan „ aan kinderen de doop wordt geweigerd, aan bedroefden

Sluiten