Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Indien iemand het eerstgenoemde feit loochent onder den schijn van eene andere exegese te willen geven? Neen, alleen indien van twee mogelijke en Schriftuurlijke exegesen de eene alleen wettig geoordeeld werd. In het eerste geval gaat het eenvoudig alleen over al- of niet-aanvaarding van een bepaald feit door de H. S. medegedeeld. Materieel is dat geen kwestie van exegese.

Zoo staat het nu ook met de punten uit Gen. 2 en 3 waarover de Synode zich uitsprak. We hebben daarin te doen met duidelijke, voor geen tweeërlei uitlegging vatbare mededeelingen van zakelijken of feitelijken aard en in formeel opzicht is het hier wèl een exegetische kwestie, maar materieel gaat het enkel en alleen over het al- of niet dubieus stellen van bepaalde zaken en feiten door de H. S. vermeld. Dr. G. en anderen met hem ontkennen dit — daarover straks — maar 'hun ontkenning kan, tenzij zij bewijs leveren, de juistheid van dit gezichtspunt niet te niet doen.

Alvorens nader daarop in te gaan nog dit: de uitspraak der Synode geeft geen bepaalde exegese van geheel Gen. 2 en 3 (en Gen. 1 laat de Synode ten eenenmale buiten beschouwing), maar stelt alleen iets vast omtrent een viertal concrete punten: de slang, haar spreken, den boom der kennis des goeds en des kwaads, en den boom des levens. Er blijft dus nog heel wat vrij: b.v. hoe de inwerking van den duivel op de slang is te denken, hoe de naam kennis des goeds en des kwaads is te verstaan, of de boom des levens sacramenteel of physisch is te verstaan, enz.; dat alles blijft nog een vrij veld voor de exegese, om van andere dingen niet te spreken.

Zooals reeds gezegd, Dr. G. ontkent dat we in de door de Synode genoemde punten te doen hebben met klare en ondubbelzinnige mededeelingen der H. S. omtrent zaken van feitelijken aard, en blijft handhaven dat 't gaat om een kwestie van exegese. Daarvoor moet bewijs geleverd.

Is dat geschied?

Het standpunt van Dr. G. wordt door de Synode aldus geformuleerd, dat men „disputabel zou kunnen stellen of de slang en haar spreken, de boom der kennis des goeds en des kwaads en de boom des levens zintuiglijk-waarneembare werkelijkheden waren, zonder met het in art. 4 en 5 der Nederl. Geloofsbelijdenis beleden gezag der H. S. in strijd te komen." Tegen deze weergave van zijne meening heeft Dr. G. geenerlei protest doen hooren, en het is dus wel zeker dat hij haar daarin juist omschreven acht

Nu is het duidelijk, indien de bedoelde vier punten vallen

Sluiten