Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„En nu, Broeders, ik beveel u Oode".

Zoo vangt de Apostel het slot zijner rede aan tot de om hem verzamelde ouderlingen van Efeze op het strand der Egeïsche zee.

Ze hoorden hem spreken over zijn moeitevollen Evangelie-arbeid onder hen en in geheel Azië en hen dien arbeid kenschetsen als een arbeid „van vele tranen". (Vs. 19 en 31.) — „Van vele tranen" om de vervolgingen, die de gemeente van den kant harer vijanden te verduren had (Vs. 19), en „van vele tranen" om zijn onvermoeide herderlijke zorg, waar hij niet alleen getoond had te kunnen weenen met de weenenden, maar bovenal in heilige, teedere bezorgdheid te waken voor het heil der zielen. (Vs. 31.)

Als de Apostel aan dit alles denkt, denkt aan zijne roeping, om „banden en verdrukkingen" tegen te gaan; er aan denkt, hoe hij straks die belangstellende, gretige hoorders, die zich op het strand van Milete rondom hem vergaderd hebben, verlaten moet, om hen nooit weer te zien — dan gevoelt hij, hoe zijn herderlijke zorg maar voor een tijd was; hoe hij hen in 't vervolg niet meer „met tranen" vermanen kan; hoe de kudde te Efeze het waakzaam oog des nauwgezetten herders voortaan missen moet .... tranen, gebeden, waarschuwingen, het behoort alles weldra tot een onherroepelijk verleden - - wat zal hij zeggen! — — hij weet maar één woord: „En nu Broeders! ik beveel u Oode!"

Tot dat woord wordt hij gedrongen, omdat hij, waar hij scheiden moet en scheiden voor goed, geen ander weet; maar ook: tot dat woord wordt hij gedrongen, omdat hij de taal verstaat, die de droeve oogen, de ernstige gelaatstrekken zijner hoorders hem spreken. Hij weet geen ander woord, wat hemzelf aangaat, maar hij weet ook geen ander woord voor de Efezische gemeente. Zij, haar ouderlingen, ze hebben opbeuring, vertroosting noodig, nu de veelgeliefde, die hen tot Jezus bracht, van hen henengaat. En is er dan wel een troostwoord, een woord van opbeuring beter te vinden dan dit: „En nu, Broeders! ik beveel u Oode!"

Sluiten