Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gen: innerlijke verzoening der zonden, staat bij profeten als Jesaja en Amos, zóó op den voorgrond, dat het den schijn wekt, alsof zoenoffers niet meer noodig zijn. Toch blijven ze eisch, omdat Israëls religie zich cirkelt om tempel en eeredienst en de nationale gemeenschap met Jehovah aan de individueele voorafgaat. God woont in het midden van zijn volk, zijn shechina is tusschen de cherubimvleugelen boven het verzoendeksel der verbondskist. Daar aanbidt zijn volk Hem. Daar is ook de plaats voor het offer, als voorwaarde, om tot Hem te naderen. De cultische gemeenschap is zonder dit cultisch middel niet mogelijk.

In dit alles ligt de kracht, maar ook de zwakheid der Oud-Testamentische verzoening, haar grens en onvolkomenheid. Ze is „aardsch" zegt de brief aan de Hebreen. Ze Hgt in de sfeer van den uiterlijken Godsdienst, en dient alleen maar tot reiniging des vleesches (Hebr. 9 :1, 13).

Wat het zoenmiddel aangaat: dit is, evenals bij de heidenen, het bloed, waarin de ziel huist. Het offeren van bloed is het beslissende. Maar het dient niet, als bij de heidenen, om magisch de godheid te beïnvloeden, doch het is een teeken der gemeenschap, welke, ongeacht het offer, reeds tusschen God en volk bestaat (heilsoffers). 't Drukt de erkenning uit van Jehovah als Heer van alles. En het zoenoffer dient, om de verstoorde gemeenschap te herstellen. Vandaar dat het offerdier niet alleen eenvoudig wordt gedood, maar

Sluiten