Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bare in de grondstellingen van anderen overtuigend te kunnen toonen; maar wanneer men bun vraagt naar de voltooijing van hun begrip; wanneer men van ben eischt, dat zij als materialisten ook al de consequentiën van het materialisme zullen aannemen, dan houden zij zich terug. Democriet, als wijsgeer, dacht aan zulk een uitwijken niet. Als wijsgeer toch vergenoegde hij er zich niet mede, dat hij zijne denkbeelden aanduidde; hij werkte uit, wat hij gesteld had en week niet terug voor de toepassing. Het zieleleven moest worden verklaard, en dit deed Democeitüs op zijne wijze, overeenkomstig zijn aangenomen begrip. Wat de zaak zelve betreft; misschien kunnen wij bij de materialisten van lateren tijd wel eens meer oppervlakkigheid en ligtzinnigheid aantreffen dan bij den ouden denker.

Volgens Democeitüs is de ziel eene uiterst bewegelijke, uit ftjne, ronde atomen bestaande stof; jyn moeten de atomen wel wezen, omdat zij onzigtbaar zijn; rond, opdat zij zoo veel te beter en sneller zouden kunnen bewegen. Of de veerkrachtige zielevloeislof der nieuweren, die eene bloote massa , zonder éénheid en vereeniging in een centrum, zoude moeten worden, beter en verstandiger uitgedacht is, mogen wij eenigzins betwijfelen. — Zij (die stof) doorstroomt volgens Democeitüs , het geheele ligchaam, en concentreert zich voor het overige, nu eens in dit, dan weder in een ander punt. De willekeurige beweging der leden verklaart Democeitüs uit de stooten van de voorwerpen buiten ons, als of eene spijze, waarnaar wij grijpen, ons zoude stooten; wij zullen hierbij niet eens gewagen van hoogere ideale motiven; het gezegde brengt zijne eigene veroordeeling mede; alleen om te toonen tot welke ongerijmdheden het consequente doorvoeren van zulk een materialisme leidt, zullen wij nog eenmaal onzen Democeitüs hooren.

De kennis, het erkennen, komt, volgens hem, bij den mensch, voort uit in- en afdrukken van de voorwerpen buiten ons. Maar hier deed zich voor hem eene zwarigheid op, die niet zoo gemakkelijk uit den weg konde geruimd worden. Men kon hem vragen: hoe komen wij dan aan in- en afdrukken van de voorwerpen, die op groote» afstand van ons verwijderd zijn ? en die ons dus niet aanstooten of aanraken ?

Sluiten