Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aangehouden met waarschuwen, totdat zij met een verbroken hart voor den Heere neervallen en Gods verbond inwilligen, d.i. het met den Heere eens worden om in Zijn wegen te wandelen.

Waar Calvijn sprak van Ismaël en Ezau als bondsbrekers, blijkt duidelijk, dat hij erkent dat er een uitvallen kan zijn uit het verbond. Hij erkent een tweeërlei inzijn in het verbond. Een geestelijk inzijn door wedergeboorte, maar ook een verbonds-inzijn, een uitwendig inzijn door geboorte in de Kerk. Dat uiterlijk inzijn kan de bondeling verbreken door den breeden weg des verderfs te kiezen, dat innerlijk of geestelijk inzijn is vrucht van de inwilliging van den verbondse_isch en onverbrekelijk^daar hgj> een werk is van Gods genade TnTïëTTïarTr~H"et formulier spreekt"echter van de geloovigen met hun zaad en dus van heel de kerk met de daarin geboren kinderen en deze allen behooren tot het verbond met Abraham opgericht. Zij zijn evenals oud-Israël het volk des verbonds, aan 't welk de woorden d.i. de beloften Gods zijn toebetrouwd en waarop de plicht des verbonds rust.

Daarom moet ook ieder kind der gemeente, iedere bondeling gedoopt worden en niet alleen de uitverkoren of wedergeboren bondeling. Daarom niet gewacht, gelijk de Dooperschen, tot ze blijken van wedergeboorte geven, maar reeds den doop bediend aan de kleine kinderen der gemeente, hoewel zij de beteekenis van den doop nog niet verstaan. Daarom noemt het formulier vervolgens de gronden voor den kinderdoop en verdedigt het dezelve tegen de bestrijders er van. Hiermede begint dan het apologetische of verdedigende deel van het formulier. Het heeft de leer des doops in het algemeen uiteengezet en zoowel voor volwassenen als kinderen die leer ontwikkeld als een teeken van onze verdorvenheid en de noodzakelijkheid der wedergeboorte, als een zegel van Gods belofte en een eisch

Sluiten