Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en volk, die vooral tijdens de regeering van Philips de Goede zoo krachtig is geweest. Wie dus zegt, dat zij, die op bijeenroeping der Staten aandringen den koning de kroon van het hoofd rukken, zijn bedriegers. Laat ons ons spiegelen aan Frankrijk. Daar is ook uit 't „inbreecken van het gheene dat door de gemeene Staten beslooten was" allerlei ellende voortgekomen.

Intusschen, het zij geweest wat het wil, op den duur werd' het toch een onmogelijkheid niet in te zien hoe de koning van harte meedeed aan de verdrukking, waaronder men steeds meer te lijden kreeg, en moest men zijn fictie dus wel loslaten. Om toen .— waar terugkeer en, stel men had het gewild, niet meer mogelijk was -— in korten tijd tot de uiterste consequentie van verzet door te gaan. Tot de afzwering van 1581.

Wanneer die zwenking heeft plaats gehad ? In 't algemeen gezegd ■— en meer is natuurlijk ook niet mogelijk —<■ tegen en in 1579. Tijdens de onderhandelingen met Anjou, in den zomer van 1578, is er al de gedachte, dat het wel eens op terzijdestelling van Philips uit kon loopen. In November van dat zelfde jaar is die gedachte tot een voornemen gegroeid. En dan doet men midden 1579 — in verband met de afscheiding der waalsche gewesten en met de keulsche vredesonderhandelingen — den definitieven stap, door te verklaren dat men zich van den koning vrij zal achten, tenzij deze binnen zes weken ophoudt land en volk door zijn geweldpolitiek ten onder te brengen. Zoo'n vaart liep het met de uitvoering van dat dreigement nu nog wel niet. Tot bijna, twee jaar dijden zelfs die genoemde zes weken nog uit, eer men zijn woord werkelijk waar maakte. Maar 26 Juli 1581 werd het „verlatings"edict dan toch uitgevaardigd ').

Bij een nauwkeurige lezing van de uiteenzettingen over de rechtsverhouding tusschen vorst en onderdanen, waarmee dat, voor onze geschiedenis zoo onvergelijkelijk belangrijke document aanvangt, treft het door een viertal eigenaardigheden 2).

') Vgl. Bijdragen voor Vaderlandsche Geschiedenis en Oudheidkunde, 5eReeks,I(1913), bldz. 213 v.v.; J. Itjeshorst Jzn., a.w„ bldz. 57 v.v.; N. Japikse, Resolutiën der Staten-Generaal, II ('sGrav. 1917) bldz. 575.

2) Ter toelichting van het in den tekst gezegde en, in het algemeen, ter kennismaking met het zeker maar in geringe mate

Sluiten