is toegevoegd aan uw favorieten.

Het "heilige recht van opstand"

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

over baar gesteld, onderworpen: want er is geene macht dan van God, en de machten die er zijn, die zijn van God geordineerd: alzoo dat die zich tegen de macht stelt, de ordinantie Gods wederstaat" ! Maar dat „alle ziel" zelf zegt het reeds: geen gedachte dat daardoor den regeerder despotische macht zou worden toevertrouwd. Met 't oog op de meening van sommigen, dat voor christenen geen overheid noodig was, schreef Paulus zoo. Om de wettigheid van het overheidsambt is het hem dus te doen, veel meer dan om het gewijd verklaren van de personen, die dat ambt bekleeden. En ook in het licht van deze uitspraak is het dus wel degelijk geoorloofd slechte magistraten te beteugelen.

Goed! maar hoe dan met 1 Samuël 8:11 v.v., waar het volk Israël, op zijn verzoek om een koning „gelijk al de volken hebben", te hooren krijgt, dat die wensch uiterst onverstandig is, omdat die monarchie, waar ze naar verlangen, totaal verlies van hun vrijheid voor hen mee zal brengen: „dit zal des konings wijze zijn, die over U regeeren zal", Uw zonen en Uw dochters zullen hem allerlei diensten moeten bewijzen; Uw land en zijn opbrengsten zal hij wegschenken aan zijn hovelingen en ambtenaren; in één woord: „gij zult hem tot knechten zijn". De Monarchomachen moeten toestemmen: ware dat inderdaad een beschrijving van het normale koningsrecht, dan hadden zij, die meenen dat de Heilige Schrift den heerscher absoluut verklaart, gelijk. Doch de oude profeet teekent hier, in Gods opdracht, niet den koning zooals hij pleegt te regeeren en dat ook behoort te doen, maar een uitzonderingsvorst. Den heerscher, dien Israël verdiende om zijn afkeer van de theocratie, die zich achter die liefde voor de monarchie verborg; om zijn verwerpen van God (1 Sam. 8 : 7). Den tyran dus; geesel in plaats van herder. Weliswaar gebruikt Samuël slechts 't algemeene woord „koning". Vergeten wij echter niet, dat 't verband er duidelijk op wijst, hoe 't een vorst „in Gods toorn" zou zijn, dien 't volk had te wachten.')

Maar wat leert, volgens de Monarchomachen, de Heilige Schrift j—■ ten aanzien van de verhouding van vorst en volk — dan wel? Juist het tegenovergestelde! Dat de regeermacht van den heerscher in allerlei opzicht beperkt mpet wezen. Beperkt allereerst door de spheer van het goddelijk ge-

>) V. Hosea 13 : 11.