is toegevoegd aan uw favorieten.

Het "heilige recht van opstand"

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

oorloofd en zelfs plicht is, steun verleenen. Zelfs vallen daarbij twee soorten van bewijzen uit elkaar te houden. Soms zijn het feiten uit de politieke geschiedenis, die dienst moeten doen. Een ander oogenblik valt de nadruk op de rechtshistorie en worden er dus allerlei instituten te berde gebracht.

Ten aanzien van die eerste reeks van gegevens volsta ik met haar eenvoudige vermelding. Genoeg er op gewezen te hebben, dat de Monarchomachen er door bewijzen, dat ze groote waarde hechtten aan een verdediging hunner denkbeelden niet alleen met afgetrokken redeneeringen, maar evenzeer met feitelijke voorvallen. Doch overigens zijn wij, 20e-eeuwers te vreemd aan een manier van denken, die verzet geoorloofd vindt alleen ómdat tal van natiën zulk verzet vroeger of later hebben gepleegd, dan dat dit punt ons meer dan vluchtig zou kunnen interesseeren.

Des te meer nadruk leg ik echter op de voorliefde, waarmee de verzetslitteratuur die staatsinstellingen in het vuur brengt. Of haar werken met: een tusschen vorst en volk. bestaand verdrag; 't bestaan van Statenvergaderingen; en — last not least — hier en daar voorkomende wettelijke bepalingen, waarbij den onderdanen zulk verzetsrecht uitdrukkelijk werd verleend. Want daarin vinden we een spoor, waarlangs het straks mogelijk zal zijn haar wezen te zien te krijgen.

Melding te maken van de verdragsgedachten, die we bij Junius Brutus c.s. aantreffen, is onwillekeurig dezen of genen doen denken aan het beroemde „contrat social" van Rousseau. Aan het verdrag, waarop naar diens meening de heele staatkundige organisatie der maatschappij is opgebouwd. Daarom mag ik niet nalaten er vooraf op te wijzen, dat eiken stap dien kant uit ons van de waarheid afvoert. Rousseau dacht zich een verdrag, waardoor op zeker (legendarisch!) moment de mensch, die tot nogtoe geheel ongeorganiseerd had geleefd, met al zijn in gelijke omstandigheden verkeerende soortgenooten afsprak dat verleden den rug toe te keeren, een welomschreven groepsleven te beginnen, en daarbij — ter uitvoering van den wil van het geheele volk — een vorst aan te stellen. Heel anders echter 't verdrag, waarvan de Monarchomachen spreken. Hun voorstelling betrof niet een fictieve overeenkomst tusschen een aantal, tot dusver staatslooze burgers. Maar het zgn.