Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Die Kunst15, een verlangen van den mensch naar omhoog en vervult dit verlangen in het oogenblik van haar schepping. Zij geeft ons meer, dan waardevolle aanwijzingen omtrent gewoonten, gebruiken, welstand, kunstvaardigheid. Zij leidt ons binnen in het heiligdom van de ziel.

Wanneer dit zoo is — en mijns inziens is de waarheid daarvan onaantastbaar — dan vindt ook de theologische wetenschap hier een onafzienbaar gebied van, voor haar doel, zeer belangrijke gegevens, dat tot dusverre door haar te weinig, en zeker te weinig systematisch werd onderzocht, al zien wij in den laatsten tijd tal van studies verschijnen vanuit het gebied van de theologie, die in deze richting gaan16, mede in verband met de vraag naar de verhouding van godsdienst en kunst, die in verschillend opzicht een brandende vraag kan worden genoemd

Bovenal bij de bestudeering van het Oostersch Christendom zal de kunst ons goede diensten bewijzen, daar zij veel sterker dan in het Westen, enkel middel wenscht te zijn in den dienst van het numineuze, het onnoembare, de Ziel der wereld. Er is geen sprake van een kunst om de kunst. Integendeel, wij zien uit het Oosten een sterk verzet tegen de vormgeving op zichzelve, geboren uit het besef dat het eeuwige niet afgebeeld kan worden. Wanneer men dan toch gebruik maakt van vormen om zich te uiten, dan blijft men zich bewust dat het een symbolische taal is, die men spreekt en die haar symbolisch karakter niet mag verhezen.

De vraag is, op welke wijze wij het karakter van de OosterschChristelijke kunst trachten te ontdekken, langs welke wegen wij daarbij zullen gaan, welke methode van onderzoek en waarneming wij daarbij zullen toepassen.

Prof. Dagobert Frey18 onderscheidt in de nieuwere kunsthistorische wetenschap drie phasen: een „Kulturgeschichtliche", die uit geografische, politieke en maatschappelijke verhoudingen de ontwikkeling van de kunst tracht te verklaren of haar tenminste daarmede omlijsting en achtergrond schenkt, een „Formgeschichtliche"

Sluiten