Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

15 Broder Christiansen, Die Kunst, Buchenbach, 1930, S.258.

18 Van de uit theologisch gebied ontstane werken van den laatsten tijd noem ik (voor het buitenland): Prof. Dr. Hans Preusz, Die Deutsche Frömmigkeit im Spiegel der bildenden Kunst, Berlin, 1926. Dr. Curt Horn, Kultus und Kunst, Beitrdge zur Klarung des evangelischen Kultusproblems, met medewerking van veel bekende theologen en bouwmeesters, Berlin, 1925. Dr. Curt Horn, Das Christusbild unserer Zeit, Berlin, 1929. Voor ons land kan ik verwijzen naar de beide congressen voor Religie en Bouwkunst, in 1928 en 1929 gehouden door de Commissie voor Gemeenteleven uit de Centrale Commissie voor Vrijzinnig Protestantisme, waarvan de referaten in twee deeltjes zijn gepubliceerd (uitgegeven: Huis . ter Heide) en naar Dr. M. D. Ozinga, De Protestantsche Kerkenbouw in Nederland, Amsterdam, 1929.

17 Men zie slechts wat in Duitschland hierover na den wereldoorlog is geschreven: o.a. G. F. Hartlaub, Kunst und Religion, Leipzig, 1919; Joachim Konrad, Religion und Kunst, Tübingen, 1929; Willy Lütge, Kunst und Religion, GütersIoh, 1929.

18 Dagobert Frey, Gottfe und Renaissance als Grundlagen der modernen Weltanschauung, Augsburg, 1929, S. XVII.

19 Max Dvorak, Kunstgeschichte und Geistesgeschichte, München, 1928, S. 47 fg.

20 W. Worringer, Formproblemen der Gotik, München, 1927, S. 7.

21 Karl Schefïler, Der Geist der Gotik, Leipzig, 1919. S. 27. Paul Brandt onderscheidt op dezelfde wijze in: Sehen und Erkennen, Leipzig, 1929, S. 440 fg.

22 W. Hausenstein, Barbaren und Klassiker, München, 1922. 48 Karl Schefïïer, Der Geist der Gotik, a.a.O., S. 65 fg.

24 Ibidem, S. 83.

26 Heinrich Glück, Die christliche Kunst des Ostens, Berlin, 1923 in de serie Die Kunst des Ostens, Band VIII.

24 Ibidem, S. 2.

27 Zie hiervoor mijn werkje: Koptische Kunst, Amsterdam, 1929, blz. 99 vg.

28 Paul Brandt, Sehen und Erkennen, a.a.O., S. 178. Men zie ook Just Havelaar, Het portret door.de eeuwen, Arnhem, 1930, blz. n vg. en Dagobert Frey, Gotik und Renaissance, a.a.O., S. 43.

Sluiten