Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

O terreur! une voix qu'il reconnut lui dit: » Voici le chatiment!"

Et lui cria: «Démon aux visions funèbres, Tol qui me suis partout, que jamais jenevois, Qui donc ea-tu?"—„Je suis ton crime", dit la voix.

Victor Huoo, Les Chatiments, V, 13.

i

AT IS DE HEL? Wanneer ge die vraag voorlegt aan den modernen wereld m ensch onzer dagen, den mensch, die over-verzadigd is van de hypercultuur, welke hem drukt, dan is zijn antwoord gereed: de hel is een hersenschim*. De hel? Wat zou ze anders kunnen zijn dan een product van de meest armelijke fantasie, die zich

Vfrm 'in\rt mpt tint rlrnnrnkoaU <mn A

meest fantastische armoedigheid ? De hel ? Wel, de schimmige verschrikkelijkheid, die in dat woord opgesloten ligt, zoo zegt men, kan niet anders zijn dan een bedenksel van godsdienststichters en van priesters en leugenprofeten, waarmede ze het volk, de wereld, die immers bedrogen worden wil, konden bang maken om hun ledigen zak in dit leven te vullen door de prediking van de totale ontlediging van den „zondaar"

in het hiernamaals. De hel ze kan er niet zijn. Want

indien het waar is, wat Lucretius') zeide of Petronius2), dat n.1. de angst der menschheid de godheid schiep, dan kan toch

') Lucretius was een Romeinsch dichter (omstr. 98—55 v. Ch.)

JVPetronius, tijdgenoot van keizer Nero (54—68 n. Ch.) aan wiens hof hij verbonden was. Van hem is bekend het woord, dat de vrees de idéé van het bestaan der godheid ingegeven heeft: „primus in orbe deos fecit timer". Vgl. Dr. H. Bavinck, Geref. Dogmatiek 1», 280.

Sluiten