Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„menschenmoorder van den beginne" is, maar de woorden „van den beginne" willen niet zeggen: „vanaf 't begin van het bestaan van den duivel",1) doch beteekenen niets meer dan een algemeene aanduiding: „van het begin der wereldhistorie af".9)

Dat er eenige tijd verloopen zal zijn tusschen het ontstaan der engelen en hun revolutie tegen God, is, dunkt ons, aannemelijk te achten op twee gronden. In de eerste plaats, omdat de geest, die thans Satan genaamd wordt, hoe geniaal en machtig van conceptie hij ook zijn moge, tóch altijd een geest van een geschapen wezen blijft; en zou nu zulk een eindig wezen met toch altijd beperkte vermogens, nu ineens zich hebben kunnen verplaatsen met zijn denken en zijn fantasie uit de werkelijke wereld met de eenmaal bestaande verhoudingen in die door hèm uitgedachte en naar zijn zondig bestek ontworpen wereld, die hij begeerde te verwezenlijken, door de orde Gods öm te keeren? Zou een eindige geest niet altijd een zeker tijdsbestek noodig hebben voor de constructie van een wereldbeeld, dat weliswaar de verhoudingen in het bestaande wereldgeheel wilde onderstboven keeren, maar dat dan toch in zijn grondlijnen moest afgezien zijn van die wereld, waarin de Eeuwige Zijn ideeën had belichaamd? De duivel had ook tijd noodig voor zijn fantasie; zijn denken immers is niet als het onmiddellijk denken van God.

En voor het overige is ons antwoord reeds gegeven. Als God na de voleinding van het werk der schepping ziet, dat alles „zeer goed" is, dan is voor ons daarmee uitgemaakt, „dat de engelenval plaats greep na" het Hexaemeron",*)

i) Dr A Kuyper, Dictaten Dogmatiek, Locus de Peccato, bl. 8, wil zoo.

») Von der Urzeit an", zegt Th. Zahn, Das Evangelium des Johannes, 3e u. 4e Aufl. Leipzie, Deichert, 1912, bl. 424.

») Dr A Kuyper, a. w. bl. 13. Hiermee is dan afgewezen de opinie van Episcopius (nog vóór de schepping van Genesis 1 : 1) of ook van Coccejus (binnen de 6 scheppingsdagen). Het gevoelen, dat hierboven verdedigd ia, wordt voorgestaan door Voétius, Turretinus, M. Vitrinoa e.a. Vgl. Dr. H. Bavinck, Dogm. IIP, 60.

Sluiten