Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zelf reeds hun alsembeker zóó vol hebben, dat vóller het niet kan, en ook, kón het al, de wil afwezig is, om te deelen met den evenmensch de smart en de smet enden smaad? (Zie Jes. 14 e. a. p. vgl. bl. 39). Indien het waar is, dat gedeelde smart halve smart is, dan is het evenzeer waar, dat dit laatste quietief eener verdwijnende hoop mêe wegzinkt in het troostelooze graf en daaruit nooit weer opkomt. Want wel is daar een zeker communisme in den hemel, maar in de hel is 't volslagen afwezig.

Men heeft zich, ja, nog een allerlaatste quietief gedacht in dezen onrustnacht. Daar zijn er, die gezegd hebben, dat weliswaar de verlorenen een levendig besef zullen hebben van hun ellende, „maar dat ze niettemin zich op hun handelwijze beroemen en liever willen zijn en dan zóó zijn, als ze zijn, dan in 't geheel niet te zijn"; dat ze „hun toestand liefhebben, evenals alle zondaren juist in die dingen welbehagen vinden, die hun ellende nog vermeerderen".1) Er zijn menschen geweest van zulk een wonderlijk slag als Andreas Taifel, die met zinspeling op zijn naam, welke aan ons woord „duivel" herinnert, als symbool een duivel of satyr aannam en daarbij het Spaansche motto: „Mas perdido y menos arrepentido", dat is: hoe meer verloren, hoe minder betreurd; hoe grooter verlies, hoe kleiner berouw.3) Doch wie ook maar even zich indenkt, welke wrange, wreede wroeging er uitgesproken ligt in het beeld van de knersende tanden, die zal zich ook dezen allerschraalsten troost voelen ontgaan. Knersende tanden, daarin ligt het beeld van den mensch, die wel de zonde liefheeft, maar de gevolgen ervan in 't klaarste weten ziet en kent en haat met doodelijken afkeer. Knersende tanden; want hoe grooter het verlies is, des te grooter is ook het berouw; hoe meer verloren, hoe meer beweend. De hel kent geen sofismen.

1) Vergelijk G, W. Leibniz, Die Theodicee, Leipzig. Reclar» II, 29; zie ook de beoordeeling van deze gedachte (van een prelaat der anglicaansche kerk) door Pierre Bayle In zijn Nouvelles de la République des Lettres.

2) Leibniz, a. w. II, 247.

Sluiten