Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het er om de wapenkamer van Christus (1 Petr. 4 : 1) op te zoeken, opdat de groote zielenvijand, die rondgaat als een brullende leeuw, ons niet slapende vinde. (1 Petr. 5:8; Mark. 14 :37-41) Geen grooter gevaar om lauw te worden (Openb. 3 : 14-22) dan tijden van langdurige, onafgebroken beproevingen. Dan maar weer naar het gebed en het psalmboek gegrepen, mijne vrienden, want morren doet de zegen verliezen (Jes. 45:9, 10) en God is toch onze Geneesheer, de groote en vaste toevlucht voor al Zijn volk. (Ps. 46) Hij i s de sterke God, die redt. De God der zwakken en der geringen. (Ps. 43 :2) In Christus' gerechtigheid ingehuld zijn wij veilig en komen wij als Christen bij Bunyan de verschrikkingen van het Dal van de Schaduwen des doods toch ongeschonden en veilig door.

Zóó leeren wij eindelijk den vollen, rijken zegen der binnenkamer, van ons eigen bidvertrek te ervaren en boven alles, ja letterlijk boven alles te begeeren. O, wanneer wij, oude menschen, terugzien op ons vroegere bestaan, zelfs al w a s dat door Gods genade een betrekkelijk onberispelijk leven, vrij van groote ergernis of diepe beschaming, hoe zwak, hoe gebroken, hoe gejaagd was toch veelal ons gebedsleven! Hoeveel was daar niet in dat bonte, geslingerde, door duizend plannen en belangen en bemoeienissen belemmerde en in beslag genomen bestaan, dat ons den stillen, gestadigen omgang met onzen hemelschen Vader telkens weer verbrak! Onze kinderen en onze eindelooze zorgen voor hen! Ons dagelijksch brood en de plichten, heel vaak ook de moeielijkheden en verzoekingen van onzen

Sluiten