is toegevoegd aan uw favorieten.

Mijn gravamen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mensch heeft doen verloren gaan, uit den weg geruimd. Deze rechtsregel wordt hier in Oen. 9 : 5 gesteld, maar er wordt niet, zooals in Gen. 3 : 14 over de „slang" een zedelijk-rechterlijk oordeel over een beest uitgesproken. Ook een beroep op Gen. 9 : 5 gaat dus niet op.

Om te bewijzen, dat God de Heere een zedelijk-rechterlijk oordeel over een natuurlijke, dierlijke slang kan hebben uitgesproken, is het ook ongeoorloofd een beroep op Mt. 21 :18 v.; Mrk. 11 :12 en 20 v., waar de vijgeboom door Jezus vervloekt wordt, te doen. De vervloeking van den vijgeboom is n.1. een symbolieke handeling, zij is zinnebeeld van den vloek over 'tgeen niet voor 't Koninkrijk van Christus deugt. In haar symbolische beteekenis is dan ook die vervloeking een zedelijk-rechterlijk oordeel, maar met betrekking tot den vijgeboom is ze het niet. Bovendien moet op de woorden, die Jezus later spreekt, gelet worden. Wanneer immers zijn discipelen tot hem zeggen: „Hoe is de vijgeboom verdord!" dan zegt de Heiland: „Voorwaar zeg ik u, ingeval gij geloof hebt en niet twijfelt, niet alleen dat van den vijgeboom zult gij doen, maar als gij tot dezen berg zegt: „Verhef u en stort u in de zee", het zal geschieden. En alles, wat gij in 't gebed met geloof zult vragen, zult gij ontvangen." Het hongeren Jezus is aanleiding om die symbolische handeling, waardoor Jezus' macht zich openbaart, te verrichten. De vijgeboom is geen schuldig voorwerp, zooals een dier zou wezen, als de „slang" van Gen. 3 een dierlijke, natuurlijke slang ware geweest. Jezus laat in de vervloeking van den vijgeboom zien, dat 'tgeen ongeschikt voor 't Koninkrijk Gods is, uit den weg geruimd moet worden en in verband met zijn woorden over den berg in Mt. 21 :21 v., dat door 't geloof 't voor 't Koninkrijk Gods hinderlijke, hoe groot ook, uit den weg geruimd kan worden, zoodat dit koninkrijk zich kan verbreiden.

Nu zegge men niet, dat over den Satan geen zedelijk-rechterlijk oordeel kan geveld worden, want dan kan op Judas: 9 gewezen. Daar toch leest men: „Maar Michaël, de aartsengel, toen hij met den duivel in woordenstrijd over het lichaam van Mozes sprak, durfde niet een oordeel van lastering te vellen, maar zeide: „De Heere bestrafte (verwijte, berispe) u". Men vergelijke ook Zach. 3 : 2: En de Heere zeide tot den Satan: „De Heere schelde u, Satan".

Het feit, dat de „slang" van Gen. 3 niet eerst vóór 't uitspreken van 't oordeel Gods gevraagd wordt, zooals dat met Eva en Adam geschiedt, past zeer wèl bij den duivel, want van hem was niets dan kwaads te wachten. Er was dan ook geen reden om hem te vragen, waarom hij dat kwaad der verzoeking gedaan had.

Wanneer God zegt: „Vervloekt zijt gij onder al 't vee en al 't veldgedierte", dan wordt de inhoud van den vloek in 't overige gedeelte van vrs. 14 meegedeeld. In dezen vloek nu komt een zekere beschouwing van de slang, de dierlijke, natuurlijke slang uit. Gold dit oordeel Gods een dierlijke, natuurlijke slang, dan zou er in Gen. 3 :14 een algemeen geldend oordeel over 't slangengeslacht uitgesproken worden. Want dit oordeel in Gods mond moet zeer zeker als algemeen geldend, n.1. alle eeuwen door en overal geldend worden beschouwd. Het is niet een relatief, een beperkt oordeel, zooals wij, menschen, met onzen beperkten blik, uitspreken. Maar uit 't leven der slangen blijkt, dat, wanneer dit oordeel Gods op een dierlijke, natuurlijke slang wordt betrokken, het niet absoluut, niet algeméén geldend kan wezen. Immers, de