is toegevoegd aan uw favorieten.

Mijn gravamen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eten iets anders is dan stoi-lekken en beide uitdrukkingen niet vereenzelvigd mogen worden. Omdat stof-eten nu beduidt „niet-krijgen wat naar aard noodig is" en de slang in deze bedeeling wel krijgt wat ze naar haar natuur behoeft, komt men in strijd met Jes. 65 : 25, wanneer men in Gen. 3 : 15 „stof zult gij eten" op een natuurlijke, dierlijke slang betrekt. Betrekt men het echter op den duivel, dan vervalt die moeilijkheid, want dan kan men het zoo verklaren, dat den Satan niet wordt toebedeeld, wat bij zijn oorspronkelijken aard van goeden engel behoort. Hij is een gevallen engel; naar zijn aard, die hem krachtens zijn oorsprong eigen was, is hij een goed schepsel Gods, maar verdorven als hij is, leeft hij in de ongerechtigheid en niet, zooals bij zijn aard van goeden engel behoorde, in de gerechtigheid. Zijn leven en levenslot is zoo, dat hij daarin niet ontvangt, wat behoort bij den aard van een goeden engel, die hij krachtens zijn oorsprong was.

De woorden „al de dagen uws levens" moeten, als de slang van Gen. 3 een dierlijke, natuurlijke slang is, op die individueele slang betrokken worden. Nu oordeelt men wel, dat 't slangengeslacht in die individueele, enkele slang van Gen. 3 begrepen is, zoodat men „al de dagen uws levens" op 't slangengeslacht betrekt. Maar zoo iets is toch uitlegkundig zeer gewrongen en het komt ons in 't verband, waarin die woorden staan, onwaarschijnlijk voor. Men mocht verwachten, dat, ware het de bedoeling van Gen. 3 : 14 die woorden op 't slangen geslacht te betrekken, dan evenals in Gen. 3 : 15 ook in 3 : 14 't zaad der „slang" werd genoemd. Betrekt men de woorden „al de dagen uws levens" op den duivel, dan vervalt die moeilijkheid,, want dan beteekenen ze, daar „al de dagen uws levens in den gedachtenvorm van Gen. 3 : 14, 't zelfde is als „altijd", dat de duivel immer in een ellendige, verachtelijke positie zal wezen, dat er voor den Booze geen verandering ten goede mogelijk is.

• * •

Genesis 3 : 15.

Hier lezen we: „En vijandschap zet ik tusschen u en de vrouw en tusschen uw zaad en haar zaad. Dat zal u den kop verbrijzelen en gij zult het den hiel verbrijzelen (of „naar den hiel bijten").

Wanneer men de „slang" van Gen. 3 als een dierlijke, natuurlijke slang opvat, dan kan hier bij dit vers 't bezwaar worden aangevoerd, dat er geen vijandschap bestaat tusschen niet-giftige slangen en menschen. Die nietgiftige slangen doen den menschen geen kwaad. Het opzettelijk stellen van vijandschap tusschen slangen en menschen moet hier immers als een, die overal en ten allen tijde geldt en blijft,worden opgevat. Men zou nu kunnen zeggen, dat in Gen. 3 : 15 werd uitgedrukt, dat slangen en menschen met elkander niet op vriendschappelijken voet zouden leven, terwijl dat vóór den val wel zoo was. Maar le hebben we reeds opgemerkt, dat er niet tusschen alle slangensoorten en den mensch vijandschap bestaat. Waaruit dus volgt, dat wanneer Gen. 3 : 15 op dierlijke, natuurlijke slangen wordt betrokken, dat Gods oordeel onwaar zou zijn, en 2e. het opzettelijk vijandschapzetten is duidelijk, als men het op den Satan betrekt Deze immers wilde vriendschap met den mensch, waarvoor men ook kan vergelijken, wat ons in Mt. 4 : 1—11 over Jezus' verzoeking verhaald wordt, maar God de Heere stelt in Gen. 3 : 15 vijandschap tusschen Satan en mensch.