Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daar o.a. tot mij:i) „Die machtelooze jongeren, broeder Geelkerken, zijn, dunkt mij, dezulken, die vol ontferming den maanzieken knaap, de wereld willen genezen. Maar zij kunnen het niet, omdat zij vergeten te bidden en te vasten, omdat zij zoo weinig staan in de levende gemeenschap met Christus;" en ook dit: „Wij zijn dikwijls aan die discipelen gelijk... omdat wij, zooals gij terecht hebt gezegd2), te weinig bidden en vasten; anders zouden wij tot veel meer zegen voor de wereld zijn."

Wij kunnen dus, aan het einde van Prof. R.'s brochure gekomen, geen andere conclusie trekken dan deze, waartoe ook Mr Monnik3) reeds kwam: De argumenten, welke Prof. R. aanvoerde voor zijn zware beschuldiging, dat Dr. G. aan het Woord van Christus een averechtschen zin heeft gegeven, het Woord Gods omgebogen en verdraaid heeft, bleken geen argumenten te zijn. Het bewijs voor zijn zoo ontzettende aanklacht is de hoogleeraar ten eenenmale schuldig gebleven. Ja, „nieuwe gronden zal Prof. Ridderbos niet meer kunnen bijbrengen, want uit hetgeen hij verder geschreven heeft, blijkt hij het volmaakt eens te zijn met de uitlegging, dié Dr Geelkerken aan zijn tekst geeft. In zijn eigen verweerschrift heeft Prof. Ridderbos deze zware beschuldiging te niet gedaan." —

Mij rest nog in dit hoofdstuk volledigheidshalve met een enkel woord in te gaan op die aanmerkingen op de uitlegging en de toepassing van mijn tekst, welke, behalve de reeds in het voorafgaande weerlegde, nog door anderen dan Prof. R. gemaakt zijn, en die zich, al werd dat niet zoo kras uitgesproken, tóch ook bewegen op dezelfde lijn, dat ik n.1. aan de door mij behandelde uitspraak van Christus een averechtschen zin zou hebben gegeven.

Daarbij ontmoeten wij in de eerste plaats Ds C. Lindeboom, die een drietal vervolgartikelen4) aan mijn preek wilde wijden, waarin hij behalve bezwaren, die reeds elders in deze brochure ter sprake kwamen,8) ook bedenkingen oppert van exegetischen en homiletischen aard.

Ds L. acht het „met de regelen van gezonde uitlegging en toepassing der Schrift in strijd" om uit het „speciale geval" der genezing van den maanzieken knaap „te besluiten tot de schuld der kerk in dezen tijd en tot hare algemeene, blijvende taak ten opzichte van de wereld."8) Hij zal dit op een tweetal punten nader aantoonen.

Vooreerst wijst Ds L. er dan op, dat, aangezien Jezus' klacht: „O ongeloovig en verkeerd geslacht!" volgens mij gericht is tot al de aanwezigen, de Schriftgeleerden en het volk, den vader van den knaap en ook de discipelen, en er geloof noodig is, niet alleen om een genezing te bewerken, maar ook om er een te kunnen ontvangen, de schuld der mislukking bij het uitwerpen van booze geesten, ook in onze dagen, ligt deels bij de gemeente, deels bij de wereld. Hij meent, dat ik in mijn preek alleen de discipelen aansprakelijk stel, met wie ik dan onze Generale Synode vergelijk. Hij acht zulk een „toepassing" zonderling, omdat zij niet klopt op de gegeven exegese. Maar waar haalt Ds L. vandaan, dat ik zulk een zonderlinge „toepassing" gemaakt heb? Ik heb volstrekt niet ontkend, dat ook de wereld schuld heeft, dat ook geloof noodig is om genezen te worden, en het zal Ds L. moeilijk vallen om het tegendeel uit mijn preek aan te toonen. Edoch het feit, dat ook de wereld schuld heeft en er ook bij haar geloof noodig is om geholpen te kunnen worden, doet het andere feit toch gewis niet te niet, dat ook de Kerk schuldig staat en ook het geloof der discipelen niet tot machteloosheid mag inzinken.

J) Kerk en Wereld, blz. 18.

-) Cursiveering van mij. G.

8) Wat verdeelt enz., blzz. 26 v.

*) N.-Holl. Kerkbl. van 5, 12 en 19 Nov. '20.

B) Blz. 6 v.v. en 13 v.v.

*) N.-Holl. Kerkbl., 12 Nov. '20.

Sluiten