Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lijk getuigenis van zijn predikant reeds bij voorbaat alle vertrouwen ontzegde !) — dit zal buiten de Classis Amsterdam en de Synode van NoordHolland er toch bij niet velen in willen.

Condudeerende meen ik te mogen zeggen, dat het Synodaal Rapport er niet in is geslaagd om de onhoudbaarheid aan te toonen van ook zelfs maar één der gronden, waarop ik geweigerd heb de verklaring : „bedoeld noch gezegd" af te leggen. En al evenmin is het der Commissie, die het samenstelde, gelukt om te bewijzen, dat de Classis het recht had van mij deze verklaring te eischen*) en ik den pacht om haar te geven. Ten deze deel ik nog altijd de zienswijze van Mr. A. C. G. van Proosdij»), welke de mijne reeds

i) Een voorstel van Ds C. Lindeboom ter Classicale vergadering van 18 Maart io2S : „de Classis.... overwegende, dat br. M. tegenover de ouderlingen, die hem bezochten, gezegd heeft geen verklaring van Dr G. te zullen aanvaarden, in welken vorm ook, als in overeenstemming met de waarheid ; besluit: aan br. M. te berichten met de behandeling van zijn bezwaarschrift niet te kunnen voortgaan alvorens hij de bovengenoemde uitspraak, ten overstaan van deze ouderlingen gedaan, neett teruggenomen", werd „met op 2 na algemeene stemmen verworpen . (Vetdruk van mij. G.). Acta, bÉz. 6a v. In noot i op blz. 33 van Zijn: Püaar enz. tracht Ds Knoppers vergeefs aan bedoelde uidating van br. M. een voor dezen gunstiger zin te geven. Hetzelfde poogt hij te doen (Pilaar enz., blz. 24) met de „bedenkelijke uitlatingen" van Ds Vonkenberg en den ouderling Bomas (zie mijn: O» weg naar de Synode, blz. 19 noot 3), die naar Ds J. H. Sillevis Smitt ma nog dezer dagen nadrukkelijk verzekerde, door hen tegenover hem zijn gedaan „op het Damrak" te Amsterdam, „toen er nog geen vuiltje aan de lucht was.

*) Dat „eischen" hier het juiste woord is, ook al zegt het Rapport, Acta, blz. «6, dat de Classis alleen maar „dringend" heeft „verzocht", en Ds. Knoppers, Pilaar •>nz, blz. 30, dat deze verklaring alleen maar van mij werd „gevraagd , moge blijken uit het feit, dat toen de Classis de conclusie der Commissie, die inhield het vorderen der verklaring „bedoeld noch gezegd", aangenomen had, en ik op de vraag van den Voorzitter, Dr J. Waterink : „Wflt u nu de gevraagde verklaring maar afleggen i> ten antwoord gaf t „U hebt mijn gevoelen daaromtrent reeds vóór de stemming gehoord", interrumpeerde Ds W. van 't Sant met de vriendelijkheid : „U moet met zoo met hem praten, Voorzitter 1 Hij moet categorisch antwoorden 1 De Voorzitter volgde onmiddellijk dezen wenk, vorderde „categorisch" antwoord, ja of neen ! Daarop antwoordde ik i „U moet weten, in welken vorm u vragen wflt. Ik ben gewoon mijn antwoorden zelf te formuleeren. En ik heb aan het reeds door mi, ter zake gezegde niets toe te voegen." Van „categorisch" gesproken : Blijkbaar had Ds van 't Sant toen de woordenboeken nog niet „opgeslagen , waaruit Ds Knoppers, Pilaar enz., blz. 49 v. noot 4, nu de wijsheid poogt te lezen, dat „categorisch antwoorden iets anders zou zijn dan een onberedeneerd antwoord geven, waarvan de strekking neerkomt op een eenvoudige bevestiging of ontkenning, gelijk aan een „ia" of een „neen" dus, ook al worden die twee laatstgenoemde woorden met letterlijk gebezigd. Hoe voorts de mentaliteit der Classis op 18 Maart en 1 April— en blijkbaar Sok sedert — was en in welke sfeer ik mij toen bevond, wordt dengenen, die in dit opzicht nog in het onzekere zijn, «verduidelijk uit de reeds meermalen vermelde brochure van Ds Knoppers. Met een getrouwheid, een volmaakten actuarius waardig, geeft zij èn van die mentaliteit èn van die sfeer een bijna adaequate reproductie. Ik zwijg er verder van. Slechts wil ik nog één opmerking maken. Het wijd verspreide gerucht, dat ook een vertolking schijnt te vinden 00 blz. 74 van Ds Knoppers' Pilaar, als zou mijn houding ten opzichte van Ds J. P. Tazelaar ter Classicale vergadering van 18 Maart ji. niet correct zijn geweest, mag met onweersproken blijven. Het is een pertinente onwaarheid. Ik kon ook tei wille van Ds Tazelaar mijn standpunt niet prijsgeven. Maar juist voor hem heb ik reeds jarenlang te groote reverentie, dan dat ik op mij zou laten zitten, dat ik daarin op dien iöden Maart ook maar in het minst zou zijn te kort geschoten. *) Recht enz., blzz. 7 v.

Sluiten