Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van mijn gevoelen geëischt zou worden. Wel worden in de eerste der zes mij voorgelegde „vragen" Art. 4 en 5 der Confessie genoemd, maar deze beide Artikelen reppen met geen woord van den „vorm der Openbaring" in Genesis 1-— 3>noch van de exegese dier hoofdstukken,waarmede de zes„vragen" zich schier uitsluitend bezighouden. Wel werden mij daarin tal van vragen gesteld van exegetischen aard, maar het Onderteekemngsformuher spreekt over punten van exegese met geen woord. Ook waren in de zes „vragen" geen uitspraken, formuleeringen of zinsneden van de Drie Formulieren van Eenigheid bijgebracht, waarmede dan uitlatingen van mij strijdig zouden moeten worden geacht. Voorts werd mij herhaaldelijk gevraagd naar punten, waarover ik niets zeide, terwijl toch het Onderteekemngsformuher nergens de bevoegdheid verleent, om een inquisitoriaal onderzoek in te stellen naar het gevoelen van iemand, omtrent punten, waarover hij zich niet uitsprak. Op mijn bezwaren tegen een dergelijk gebruik van het Onderteekeningsformuher antwoordde de Classis, 17 Juni 1925 slechts apodictisch1), dat zij „juist op grond van het Onderteekemngsformuher een nadere verklaring over Art. 4 en 5 der Belijdenis van (mij) vroeg en daarom de zes vragen aan (mij) stelde, en dat (ik) krachtens het Onderteekeningsformuher tot de beantwoording van al deze vragen gehouden (was)." En in datzelfde schrijven beweerde de Classis alleen maar, zonder zelfs een poging van argumentatie, „dat Dr G. wel zegt, dat hij „voorzoover hij hiertoe naar het Onderteekeiimgsformulier gehouden is" de gestelde vragen wil beantwoorden, maar dat hij in gebreke gebleven is, dat te doen, wijl wat Dr G. als antwoord geeft, geenszins een beantwoording is van de vragen, die door de Classis hem zijn gesteld."

Op deze mijne bedenkingen antwoordt nu het Rapport,*) trots breede uitweidingen en veelvuldige herhalingen, feitelijk slechts het volgende.

Het is niet „noodig", dat, wanneer een kerkelijke vergadering aan een Dienaar des Woords krachtens het Onderteekeningsformuher „vragen" stelt, „daarbij telkens bepaalde „uitspraken", „formuleeringen" of „zinsneden"

van de Drie Formulieren van Eenigheid worden genoemd." En „ten

bewijze"(?)van de juistheid dezer opvatting meent het Rapport dan te kunnen volstaan met een verwijzing naar hetgeen de Generale Synode van Leeuwarden

in 1920 deed bij het stellen van vragen aan Ds J. B. Netelenbos. Alsof

wat deze Synode deed zonder meer normatief ware, en het stellen van vragen aan Ds Netelenbos toen niet onder geheel andersoortige omstandigheden geschiedde, dan nu het mij op grond van het Onderteekeningsformuher „nadere verklaring" vragen van mijn gevoelen over „eenige Artikelen der Belijdenis, van den Catechismus of de Verklaring der Nationale Synode."

Het Rapport stemt toe, dat het instellen van een inquisitoriaal onderzoek omtrent het gevoelen van iemand betreffende punten, waarover hij zich niet uitsprak, „af te keuren" is. „Onze kerken" — zoo heet het fier — „kennen geen Spaansche inquisitie en zouden deze ook niet mogen dulden." Maar ik zou mij wel uitgesproken hebben over de punten, waaromtrent men mij

*) Acta, blzz. go v. *) Acta, blzz. 137 **« ▼«

Sluiten