Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BIJLAGE I.

Rapport der Deputaten der Particuliere Synode van Noord-Holland ad Art. 49 K.O. en besluit der Classicale vergadering TiïrV&fh

JD* Deputaten der Particuliere Synode van Noord-Holland, overwegende dat ter vergadering van de Classe Amsterdam, gehouden l April ji. na de mededeeling van het door hen gegeven advies geen gelegenheid meer bestond dit advies toe te lichten, achten zich geroepen schriftelijk het navolgende ter nadere motiveering van hun advies te moeten aanbieden aan de vergadering der Classe Amsterdam.

Aangezien Dr J. G. Geelkerken zelf schriftelijk een verklaring heeft gegeven, waarin hij mededeelt, wat door hem is gezegd, ligt het, geheel afgedacht van het bij Uwe vergadering ingediende protest op uw weg te onderzoeken, of de inhoud dezer verklaring zelf ook rechtvaardige oorzaak van verdenking geeft.

Nu ligt naar het eenparig oordeel der Deputaten in de bewoording waarin Dr J. G. Geelkerken zijn gevoelen heeft uitgedrukt, inderdaad voldoende reden een nadere verklaring van zijn gevoelen te vragen. ,

Zij gronden dit oordeel op de volgende overweging i

Dr J. G. Geelkerken zegt t «En gelijk wift van den staat der heerlijkheid hiernamaals, van den hemel, zoo kunnen wij ook van dien staat der rechtheid ons alleen een voorstelling maken met behulp van wat wij kennen in deze bedeeling. Als God ons dan ook daaromtrent Zijn openbaring geeft dan spreekt Hij daarover ên van dien staat der hemelsche heerlijkheid ên van dien staat der rechtheid in bewoordingen aan onze, tegenwoordige aardsche bedeeling ontleend". ' .

Hiermede schijnt Dr J. G. Geelkerken te zeggen, dat de vorm der Openbaring, waarin de Heere de geschiedenis van den staat der rechtheid heeft medegedeeld aan ons, gelijk is aan den vorm der Openbaring betreffende den Staat der heerlijkheid.

Indien dit metterdaad zijn gevoelen is, zou dit leiden tot de voorstelling, dat de Openbaring in Gen. i, a en 3 geboekt, in symbolischen vorm is gegeven, evenals de openbaring, van den staat der heerlijkheid. >

Dit nu zou metterdaad een hoogst ernstige afwijking zijn van onze Belijdenisschriften, bepaaldelijk van Art. 5 der Nederlandsche Geloofsbelijdenis.

Niet slechts zou door deze voorstelling het diepgaand verschil worden miskend tusschen de Openbaring, die God ons heeft gegeven van wat in den tijd is geschied en de Openbaring, die Hij ons gaf van den staat der heerlijkheid, die in de eeuwigheid ligt, maar ook zou dan wat Genesis 1, a en 3 ons mededeelen, ophouden zuiver* historiebeschrijving te zijn. ' ..«^.hU.' L. m

In verband hiermede wekt het dan ook bevreemding, dat Dr J. G. Geelkerken na de herinnering aan de moeflijkheid, die de uitlegging van allerlei bijzonderheden, die Gen. 3 ons berichten1), zooals: „de boom der kennis des goeds en des kwaads , „de slang en haar spreken", „de boom des levens" enz., daarna wel zegt, dat vaststaat, dat wij in Genesis 3 de goddelijke bekendmaking hebben van een historisch feit, het feit van den zondeval, maar daarbij niet zegt, dat alles is geschied op de wijze als in dit hoofdstuk is medegedeeld, wat na de herinnering aan die moeilijkheden wel had mogen verwacht worden.

l) Lees t 23-4-'25. G.

•) Dit „wij" moet vervallen. G.

*) Lees : bericht. G.

Sluiten