Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verklaring van (mijn) gevoelen te vragen betreffende hetgeen in Genesis 1-3 ons is medegedeeld, opdat blijke, of (mijn) gevoelen in overeenstemming is met de Belijdenisschriften onzer Kerken" en mij een zestal „vragen" voorlegde, „schriftelijk te beantwoorden vóór den 6den Juni". Aangezien de Classis mij echter niet mededeelde op welken grond of welke gronden zij mij deze vragen voorlegde, vroeg ik haar daarnaar bij schrijven van den sdenjuni 1925 (Bijlage F) en ontving toen afschrift van het Rapport der Deputaten der Particuliere Synode van Noord-Holland ad Art. 49 K. O. en van het besluit der Classicale vergadering 22~5-'25, wat bleek te moeten zijn: 22-4-'25 (Bijlage G.) Ik antwoordde met mijn schrijven van 16 Juni j.1. (Bijlage H.) doch ontving op 17 Juni d.a.v. het bericht der Classis, dat deze beantwoording naar haar oordeel niet voldoende was (Bijlage I.) Andermaal onder protest en mededeeling, dat ik mij op Uwe Synode beroepen zou, zond ik heden een uitvoerig antwoord op al de zes vragen bij de Classicale vergadering van heden in.

Na alzoo Uwe Synode de wordingsgeschiedenis der door mij gewraakte besluiten van de Classis Amsterdam te hebben verhaald, kom ik thans tot de opsomming mijner bezwaren daartegen. Ik stel er echter den hoogsten prijs op, vooraf nadrukkelijk ook voor Uwe Synode uit te spreken, dat ik geenszins aan eenige kerkelijke vergadering, en dus ook niet aan de Classis Amsterdam, ook maar in het minste het recht ontzeg, om op grond van het Onderteekeningsformulier naar eigen „goedvinden" te „eischen nadere verklaring van.. . gevoelen over eenige Artikelen der.. . Belijdenis, van den Catechismus of van de Verklaring der Nationale Synode", en dat ik er dan ook geen oogenblik aan gedacht heb of denk, om mij te onttrekken aan de verplichting door - mijn -onderteekening van het betreffende Formulier op mij genomen, om „te aller tijde bereid en willig (te) zullen zijn" zulk een van mij verlangde nadere verklaring af te leggen ; gelijk ik dan ook door mijn, zij het dan ook onder protest, zelfs tot twee malen toe gegeven beantwoording van de mij door de Classis Amsterdam op grond van het Onderteekeningsformulier voorgelegde vragen bewezen heb te zijn. Doch het komt mij voor, dat bedoeld Onderteekeningsformulier met de eigen bewoordingen daarvan niet alleen bindt de Dienaren des Woords, maar ook de kerkelijke vergaderingen, die er gebruik van maken, en dat die bewoordingen, wel verre van een geheel willekeurig, apodictisch en inquisitoriaal gebruik van dit formulier, tot bereiking van alle mogelijke doeleinden, vrij te laten, objectief vaststellen, dat zulk een eisch tot nadere verklaring van gevoelen slechts mag worden gesteld: i° ,.om gewichtige oorzaken van nadenken", 2° „tot behouding van de eenheid en zuiverheid der Leer", 30 „over eenige Artikelen der voorzeide Belijdenis, van den Catechismus of van de Verklaring der Nationale Synode".

Het komt mij voor, dat in het licht dezer bewoordingen de onrechtmatigheid van de drie besluiten der Classis Amsterdam, waartegen ik thans bij Uwe Synode in beroep ben, onmiskenbaar is.

Quod ad I: om gewichtige oorzaken van nadenken". De besluiten der Classis Amsterdam zijn in dit opzicht ma. te wraken op de navolgende gronden:

1. Gedurende heel de procedure, die tot het mij stellen van „vragen" leidde, werd op de classicale vergaderingen, zonder tegenspraak van wie ook, door stemhebbende en adviseerende leden en door Deputaten ad Art. 49 herhaaldelijk uitgesproken, dat zij aan mijne rechtzinnigheid niet twijfelden.

2. De door mij vrijwillig verstrekte coupure uit mijn preek was reeds jaar en dag aan de Classis ten volle bekend, zonder door haar als een „gewichtige oorzaak van nadenken" te worden beschouwd.

3. Ook bij de tweede behandeling der zaak-Marinus werd de eisch om te verklaren: „bedoeld noch gezegd", althans aanvankelijk, allerminst gesteld, omdat de coupure op zichzelve zulk een nadere verklaring noodzakelijk zou maken, maar om daarmede br. M. te bevredigen.

4. Ook later zeide de Commissie bij monde van haren Rapporteur niet, dat de coupure ernstige oorzaak van suspicie gaf, maar slechts, dat zij „ruimte" liet „voor afwijkende gevoelens"; en welke preek, laat staan preekgedeefte, doet dit niet?

5. Het weigeren van de verklaring : „bedoeld noch gezegd", evenals dat van de verklaring : „dat (ik) heel het verloop van het verhaal" enz., leidde dan ook niet tot een constateeren door de classicale vergadering, dat ik „ipso facto" was gesuspendeerde, gtlijfc toch op grond van het Onderteekeningsformulier had moeten geschieden.

Sluiten