Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Derhalve richt ik mij thans met mijne bezwaren tot Uwe Classis in het stellige en volle vertrouwen, dat door U als God-vreezende mannen zal worden overdacht en gedaan wat noodig is.

Aan den Kerkeraad van Amsterdam-Zuid heb ik kennis gegeven, dat door mij bij Uwe Classis de, door dien Raad voor ongegrond verklaarde, bezwaren zijn ingediend.

Ten slotte deel ik nog mede, dat het mij bekend is, dat o.a. br. J. Vree, Baarsstraat 20, mijne bezwaren deelt.

Met Hoogachting,

Uw dw. dr. en br. i. Christus, H. MARINUS.

Den Kerkeraad van Amsterdam-Zuid stelde ik hiervan behoorlijk op de hoogte. De aanklacht was in haar tweede stadium gekomen.

Het eerste bericht, dat ik van de Classis ontving, was een schrijven dd. 11 Juni 1924, behelzende de volgende mededeeling:

■ Weledelen Heer den Heer H. Marinus, Amsterdam. Waarde Heer en Broeder,

In opdracht van de vergadering der Gereformeerde Kerken, binnen het ressort der Classis Amsterdam, gehouden 11 Juni, heb ik U te melden, dat Uw bezwaarschrift dateerende 13 Mei - 1924, op haar vergadering ter tafel is geweest, *n dat zij eene Commissie heeft benoemd om haar op een volgende samenkomst over deze zaak van advies te dienen.

Deze Commissie bestaat uit de broeders Ds. J. L. Schouten, Ds. J. 'E. Vonkenberg en ouderling H. Bomas van Hilversum.

Met achting en heilbede namens genoemde vergadering. Amsterdam, 11 Juni 1924.

Uw dw. B. A. KNOPPERS.

Actuarius.

Geruimen tijd vernam ik geen enkel geluid, dat mij erop wees', dat de door mij aanhangig gemaakte zaak eenigen voortgang had. De Commissie had den tijd tot September, en de mid-zomer was aan spoeden niet bevorderlijk. Voor overijling behoefde nog niemand bevreesd te zijn. En ik wachtte. Op 23 Augustus eindelijk, gewerd mij van Ds. Schouten een verzoek om te komen in een vergadering der Commissie van de Classis, te houden op Maandag 25 Augustus, ten huize van Ds. Schouten. In deze vergadering verscheen ik op het bepaalde uur. Ook daar heb ik-mijn bezwaren gehandhaafd, en daar heb ik, bovendien, de getuigenissen bekend gemaakt, die ik naderhand, in mijn protest of tweede bezwaarschrift, dat zoozeer mede de opmerkzaamheid van den Kerkeraad van Amsterdam-Zuid mag genieten, genoodzaakt was aan de Classis nog schriftelijk kenbaar te maken.

Met begrijpelijke spanning verbeidde ik de Classisvergadering van 10 September 1924. Op die vergadering moest de Commissie van Advies haar rapport uitbrengen, en van die vergadering verwachtte ik een besluit, rechtmatiger dan het „ongegrond" van den Raad van Overtoom. Op een

Sluiten