Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

18) Theodorus van Mopsuestia wordt gewoonlijk geroemd als de eerste die Makkabeesche liederen in den Psalmbundel aannam; doch deze nam daarbij dit eigenaardige standpunt in, dat hij deze Psalmen aan David bleef toekennen, en David daarin liet profeteeren van de gebeurtenissen uit den Makkabeeschen tijdl Op het voorspoor van Hitzig, Olshausen en Cheyne werden hoe langer hoe meer Psalmen naar den Makkabeeschen en zelfs naMakkabeeschen tijd verwezen, waarin wel het record is bereikt door Duhm. In de laatste jaren durven echter de meesten niet veel verder gaan dan reeds Calvijn deed die Ps. 44, 74, 79 en 83 voor Makkabeesch verklaarde (zie b. v. Baethgen, Baudissin, en Cornill, Einleitung in die kanonischen Bücher des Alten Testaments7, Tübingen 1913, bldz. 237). En door Kessler, Gunkel, Sellin en Böhl wordt het zelfs betwijfeld of ook deze wel Makkabeesch zijn. Barton, a. w. bldz. 199 v. v. neemt aan dat in deze Psalmen een oudere, zelfs voor-exilische, kern ligt, die in den Makkabeeschen tijd eene revisie en uitbreiding onderging.

19) Men zie hiervoor Beer, Individual-und Gemeindepsalmen, Marburg 1894, Gunkel, Ausgewahlte Psalmen*, Göttingen 1917, Balla, Das Ich der Psalmen, Göttingen 1912, en voorts Kessler, Kittel, Sellin en Böhl, alsmede Steuernagel, Lehrbuch der Einleitung in das Alte Testament, Tübingen 1912, bldz. 731 v.

*) Vgl. Jirku, Die Hauptprobleme der Anfangsgeschichte Israëls, Gütersloh 1918, bldz. 25—34, Kittel, Geschichte des Volkes Israël I3, bldz. 421—448, König, Geschichte der A. T. Religion2, bldz. 158—171, Böhl, Het Oude Testament, bldz. 3, Eerdmans, Alttestamentliche Studiën II, Giessen 1908, bldz. 4—51, alsmede in zijn eerder genoemd referaat op de Vergadering van Moderne Theologen 30 April 1919.

2') Vgl. Jirku, a. w. bldz. 38, Kittel, a. w. bldz. 456 v.v., Böhl, a. w. bldz. 203, Gunkel, Genesis3, bldz. 286 v. en Die Religion in Geschichte und Gegenwart IV, kol. 259, Skinner, Genesis (International Critical Commentary), Edinburgh 1910, bldz. 270, König, Die Genesis, Gütersloh 1919, bldz. 474.

») Zie Eerdmans, Alttestamentliche Studiën II, bldz. 14.

a) Voor de verlegenheid waarin dit de voorstanders der stampersonificatiehypothese brengt zie men b.v. Barton, The Religion of Israël, bldz. 27 v.v.

24) Vgl. Jirku a.w. bldz. 48, Gunkel, Die Religion in Geschichte und Gegenwart III, kol. 649, Böhl a.w. bldz. 168.

*) Zoo Lehmann-Haupt, Israël, bldz. 135—137. Zie voorts ook Winckler, Alttestamentliche Untersuchungen, Leipzig' 1892, bldz. 122, Van Ravesteyn in Theol. Studiën 1913, bldz. 247 v. en Böhl, a. w. bldz. 198 v.

Sluiten