Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

volgens de H. S. is er verschil tusschen dier en mensch. De mensch is naar Gods beeld geschapen en de mensch werd volgens Gen. 2:9 en 3:5 „kennende het goed en het kwaad". En het kennen van 't goed en 't kwaad is toch zeker een zedelijke kennis.

Wij kunnen hierbij nog opmerken, dat een dier niet is „kennende het goede en het kwade". Dat het dus, als het een mensch doodt, het doet zonder die zedelijke kennis en het dus niet gestraft kan worden voor een zedelijk vergrijp, zooals de mensch gestraft' worden kan.

Het rapport schijnt niet begrepen te hebben, waarom ik buiten-bijbelsche rechtsregels aanhaalde. Ik heb het echter duidelijk in mijn gravamen gezegd. Wij willen hier nog zeggen: 1°. dat we die ou/ren-bijbelsche rechtsregels aanhaalden om te toonen, dat we in de bedoelde Bijbelsche rechtsregels niet voor ons hebben rechtstreeks-oorspronkelijke-goddelijke uitspraken. Die Bijbelsche rechtsregelen zijn evenals die buiten-Bijbelsche historisch geworden en niet rechtstreeks-oorspronkelijk van God afkomstig, zooals de uitspraak in Gen. 3: 14. Dat ook elders voorkomende en voor de Schriftstudie belangrijke verschil wordt door het rapport verduisteremaand. En al zijn dan die rechtsregels in Israël met goddelijk gezag bekleed, de menschelijke factor, het historisch geworden menschelijke is er toch in overheerschend. En wat alles afdoet, zij zijn geen oordeelen naar aanleiding van een zedelijk vergrijp van een dier, doch naar aanleiding van een zedelijk vergrijp van een mensch, aan wien in de H. S. 't 7de gebod is gegeven en aan wien ook de bestialiteit verboden is, want we lezen in Lev. 15 :23, dat de bestialiteit aan man en vrouw uitdrukkelijk verboden wordt met nog andere zedelijke vergrijpen. Hef dier wordt nergens genoemd als zedelijk verantwoordelijk bij dat zedelijk vergrijp; nergens wordt daarom een zedelijk-rechterlijk oordeel over een dier uitgesproken. Men zou dan kunnen zeggen: „Zou het dan in Gen. 3 soms niet 't eenige geval kunnen zijn?" Maar dan kan gezegd, dat het zedelijk vergrijp, dat in Gen. 3 :1—5 bericht wordt, niet van een dierlijke, natuurlijke slang, maar van Satan is, zooals duidelijk door den Heiland in Joh. 8 | 44 wordt geleerd, als Hij den Satan een menschenmoorder van den beginne noemt, en er gronden in Gen. 3 zijn, zooals wij in ons gravamen hebben genoemd, en ook gronden in 't N. Testament voor de verklaring, dat de slang den duivel voorstelt.

Het rapport zegt tot mij: „gij ligt onder den ban van uw onjuiste probleemstelling". Wij ontkennen dat en zeggen tot 't rapport: „gij ligt onder den ban van uw onbewezen stelling, dat de slang instrument van Satan was en dat er in Gen. 3 twee subjecten, twee individuen voorkomen, en gij negeert de bezwaren tegen die stelling, bezwaren er tegen in Gen. 3 zelf en ook in 't N. Testament. Uit Gen. 3 blijkt maar één subject, en dat blijkt ook uit 't N. Testament, nl. de slang, die Satan is, of wel voorstelt.

Het rapport vraagt van mij te bewijzen, dat er in Gen. 3:14 geen sprake kan zijn van een oordeel over een dier, nl. een dierlijke, natuurlijke slang. Wij hebben aangetoond, dat 't oordeel van Gen. 3:14 gaat over hem, die 't zedelijk vergrijp van Gen. 3 : 1—5, cf. 3 : 13, heeft gepleegd en dat dat subject niet een dierlijke, natuurlijke slang, maar blijkens 't N. Testament de duivel is. Wij hebben aangetoond het niet-zi/'n, dus nog meer dan het niet-kunnen; als het oordeel van Gen. 3:14 niet over een dierlijke, natuurlijke

Sluiten