Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

alang is geveld, dan kan het in J3en. 3:14 ook niet over een dierlijke, natuurlijke slang geveld zijn. Als üf bewezen heb, dat een zeker huis niet van steen », dan heb ik ook bewezen, dat dat huis ook niet van steen kan zijn Let wel, ik zeg niet „kon zijn", maar ,Jcan zijn"! Het gaat er ook in Oen. 3 : 14 niet over of zulk een oordeel over een dierlijke, natuurlijke slang kon geveld zijn, maar of het over zulk een slang kan geveld zijn. Wij hebben met te rekenen met abstracte mogelijkheden, maar met de Bijbelsche reatiteiten.

Tegen 't rapport wensch ik verder op te merken, dat ik niet uit de ondenkbaarheid van de slang van Gen. 3 als dierlijke, natuurlijke slang redeneer maar dat mijn redeneermg schriftuurlijk is. Het rapport wil maar de moeilijkheden, die de opvatting van de slang van Gen. 3 als dierlijke, natuurlijke slang drukken, laten staan; wij zijn van oordeel, dat wij moeilijkheden niet mogen laten staan, wanneer de H. Schrift zelf een weg wijst om ze op te lossen. De moeilijkheden in Gen. 3 wijzen op een ander wezen dan een - natuuriijke, dierlijke slang en *t N. T. wijst aan, dat dat andere wezen de Satan is.

Wanneer 't rapport zegt, dat het oordeel over een slang in Gen. 3 eenvoudig een feit is, dan ontkennen we dat. Eenvoudig een feit is *t oordeel over de slang van Gen. 3, maar het is niet eenvoudig een feit, dat het een oordeel is over een natuurlijke, dierlijke slang. Het gaat juist over de vraag„wie is de slang van Gen. 3?"

Het rapport heeft het ook over de bestraffing van huisdieren en over Num. 22:28. Maar wat zegt dat nu? Nergens vindt men (in de H. S. een aanspraak door God tot een dier om over dat dier een zedelijk-rechterlijk oordeel uit te spreken, dan in Gen. 3, waar de moeilijkheden in verband met 't N. T. op een andere aangesprokene dan een dier wijzen. Zulk een aanspraak, zulk een oordeel, vindt men ook niet in Num. 22. En de huisdieren beseffen wel, dat ze om iets geslagen worden en zoo heeft ook de ezel van Bileam dat beseft, maar wij beschouwen ze niet als zedelijk verantwoordelijke wezens en zoo ook wordt Bileams ezelin niet als een zedelijk^verantwoordelijk wezen beschouwd. Wij, noch Bileam, spreken een rechterlijk oordeel over een dier uit en wat 't schuldbesef der dieren betreft, van zulk een schuldbesef blijkt bij de slang van Gen. 3 totaal niets, terwijl bovendien dat schuldbesef niet zoodanig is, dat het een besef is van een zedelijk kwaad, zooals het bij „de slang" van Gen. 3, die blijkens Gen. 3 i 2 v.v. een zedelijk kwaad heeft begaan, nl. tot zonde, ongehoorzaamheid jegens Gods gebod, heeft verleid, moest zijn. Ware die slang een dier, dan zou haar schuldbesef een besef van zedelijke schuld moeten zijn, wat niet 't geval is bij onze dieren en ook niet kan vastgesteld bij Bileams ezelin. Er staat in Gen. 3 :14 immers niet zooiets als: „omdat gij 't werktuig van den Booze zijt geweest", maar dit staat er: „omdat gij dit gedaan hebt". Daar is wèl op te letten in dit verband.

Het rapport is verbaasd over wat ik schreef omtrent de vervloeking der slang in Gen. 3:14. Wij zijn van oordeel, dat die verbazing ongegrond is. Immers, wat is het geval? Het rapport laat Gen. 3:14 niet behoorlijk in zijn deelen bijeen. Zoo vergeet het rapport, dat de bijzondere vloek, die in Gen. 3:14 over de slang wordt uitgesproken, blijkens de woorden „onder al 't vee en al 't veldgedierte" en „al uw dagen", wanneer Gen. 3:14 een

Sluiten