Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in een hoogeren toestand had geleefd, dan na den val, dan zou dat haar toch niet tot een gevloekte onder de dieren maken, tenzij ze bewustzijn van dien vroegeren toestand had Een tijger in den dierentuin is uitwendig, wat zijn lichaamsgedaante en zijn voedsel betreft, er niet ellendiger aan toe dan andere dieren, die in den dierentuin geboren zijn, maar als die tijger pas uit de wildernis in den dierentuin is gebracht, is hij wegens het bewustzijn dat hij nog heeft van zijn vroegere vrijheid, en dat hij uit door zijn woede wel terdege een ellendige onder de dieren. Van de slang als dierlijke, natuurlijke slang, zooals die nu nog op aarde leeft, kan niet beweerd worden, dat zij nog bewustzijn zou hebben van een hoogeren lichaamsvorm, dien de eerste voorouders der slangen eens zouden gehad hebben. De slangen, de natuurlijke, dierlijke slangen zijn daarom, noch ai'rwendig, noch i/rwendig, onder de dieren in een gevloekten toestand, terwijl „de slang" van Gen. 3 al de dagen van haar leven onder al 't vee en al *t veldgedierte in een gevloekten toestand moet wezen, want de vloek van Gen. 3:14 is blijkens de woorden „op uw buik zult gij gaan en stof zult gij eten" niet iets abstracts, maar iets concreets, evenzeer als de vloek over Kanaan in Gen. 9 :25 en die over Kaïn in Gen. 4:11 en 12.

Verwonderlijk vind ik het, dat het rapport het verwonderlijk vindt, dat volgens mijn beschouwing de Satan, die een vervloekte was vóór zijn verleiding van den mensch, na die verleiding vervloekt wordt. Het rapport vergeet, dat die vervloeking in Gen. 3 :14 in de wereldgeschiedenis plaats vindt, in de geschiedenis van 't menschelijk geslacht, en 't een gevloekte zijn vóór de verleiding des menschen buiten de geschiedenis van 't menschdom ligt. Vervolgens vergeet 't rapport, dat de Satan den mensch op zijn zijde trachtte te brengen door hem van God af te trekken en dat hij zoo zijn macht wilde vergrooten. Reden te over om den Satan nu met een uitgesproken woord te vervloeken. Ten slotte vergeet 't rapport, dat degene, die niet gelooft in den Zoon Gods aireede veroordeeld is, cf. Joh. 3.18, maar toch nog eens veroordeeld wordt, of ook, dat de verworpenen reeds veroordeeld zijn, maar in den dag der dagen toch nog veroordeeld zullen worden. Let op de leer der praedestinatie en die van" Christus' wederkomst om te oordeelen de levenden en de dooden.

Het rapport veronachtzaamt de moeilijkheid, die de woorden „stof zult gij eten" in Gen. 3 :14 opleveren, als ze op een natuurlijke, dierlijke slang betrokken worden, door „stof eten" met „stof-lekken" te vereenzelvigen. Maar dat is willekeur. Uit Jes. 65 :25, den tekst, die door het rapport ten onrechte gedisqualificeerd wordt, blijkt duidelijk, dat stof eten iets anders, dan stof lekken of den mond er in steken is, evenals gras eten en haksel eten iets anders is dan ervan lekken of den mond er in steken. Tegenover de bewering van 't rapport, dat Jes. 65 :25 een moeilijke, profetische uitspraak zou zijn, stellen we, dat die tekst voor de uitlegging geen moeilijkheden oplevert, wat den zin der woorden betreft; de moeilijkheid komt eerst, wanneer wij bij 't licht van 't N. T. gaan onderzoeken of Jes. 65 :25 een profetie is, die letterlijk zal vervuld worden dan wel niet! Nu blijkt uit Jes. 65 :25 duidelijk, dat de slang in deze bedeeling geen stof eet evenmin als de wolf gras en de leeuw haksel of bij onze verklaring van de uitdrukking „stof eten" als „niet-krijgen wat bij iemands aard behoort" blijkt uit Jes. 65 : 25 duidelijk,

Sluiten