Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hollandschen vloek is weet ik niet, maar dit dunkt mij ook: de meesten die de uiting G. v. d. m. doen, meenen het niet rechtstreeks tegen God. Wout Ik geloof wel dat de meeste vloekers niet met eene intensiefdirecte intentie of duivelschboos opzet tegen God bezield zijn als zij den grooten Hollandschen vloek uitspreken,') maar met de bewering, dat de vloekers geen toestemming geven aan het minachtend gevoelen, jegens God of Gods eeuwige straffen — de verdoemenis —, hetwelk onwillekeurig onder het vloeken _bjj_h^n_jojtomt* kan ik mij niet vereenigen. Immers, is het wel mogelijk met zwier en zwaai, met gloed en drift, zooals gewoonlijk geschiedt, de verdoemenis van God te eischen zonder een minachtend gevoelen jegens God of verdoemenis min of meer te koesteren.

De uiting G. verdom me met drift of gloed gesproken verwekt dezelfde gedachte en hetzelfde gevoelen alsof spreker zei: „G. verdom me maar!" ofwel: „G. wat kan 't me schelen dat ge me verdomt!"

De uiting van den grooten Hollandschen vloek verwekt eene minachting van God, van de eeuwige zaligheid en de verdoemenis s) en heel de weerlichtsche boel, gelijk een vlegel zegt.

En zullen dan de echte vloekers, die er bij duizenden in het land te tellen zijn, dat God onteerend gevoelen onderdrukken? Ofwel zullen ze er niet eerder aan toegeven ? Het moge bij velen eene vluchtige toestemming of bijval van den wil zijn: maar mij dunkt, dat de directe intentie of rechtstreeksche booze wil door de vloekers vrijwillig gekoesterd wordt/al is die niet intensief te noemen.

') G.v.d.m. is in ons land oorspronkelijk een gezegde van goddeloozen, die Ood uitdagen hen te verdoemen, en spotten met de verdoemenis. Dictio est implorum Deo improbriantlum ex intentione diabolica; est vera locutio diabolica et infernalis. De meeste vloekers zeggen de uiting G.v.d.m. wel niet met die intensief booze intentie; desniettemin wordt het in de volksmeening meestal zóó opgenomen vooral als dat vloeken met zwier en zwaai en gramschap geschiedt.

*) Vilipensio beatitudinis aeternae redundat in comtemptum Dei ut Auctoris, Datoris et Objecti nostrae beatitudinis, seu Dei Summi boni.

Contemptusdammationisredundatlncontemptumjustitiae divinaequae speciaii modo in dammatione aeterna reiucet.

Sluiten