Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het gezonde beginsel door de godgeleerden algemeen gedoceerd, dat er een godlastering kan onstaan, 1. ex aestimatione communi, 2. ex modo dicendi, 3. ex ipsis verbis, praeter directam Deum inhonorandi intentionem proferentis, in singulo casu.

Tony Ik heb wel ooit hooren beweren dat „G. verdom me" hetzelfde is als „dat God mij verdomme"! alsof er spraak is van een derde persoon die niet aangesproken wordt, zoodat men eigenlijk God niet op minachtende of uitdagende wijze aanspreekt

Wout Dan blijft toch nog de minachting voor de verdoemenis, waarin Gods gerechtigheid op bijzondere wijze uitschijnt, bestaan. Doch de bewering waarover U spreekt is heel willekeurig en zonder grond wijl de vloek alzóó noch geschreven, noch uitgesproken, noch verstaan, noch beleden wordt Hoe de uiting om de verdoemenis in andere talen geschiedt, gaat ons Hollanders niet aan; wij hebben slechts met de kracht van onze spreekwijze rekening te houden. Als b.v. een Franschman zou zeggen: „que Dieu me damne", dan is het duidelijk dat God niet wordt aangesproken, maar over Hem als over een derden persoon gesproken wordt. In onze taal is het met den vloek heel anders. Immers: men schrijft G. verdom me, modo imperativo: men zegt G. verdom me, modo imperativo: de vloek klinkt in onze ooren gebiedend, modo imperativo; zóó wordt 't ook verstaan, en beleden door de vloekers zeiven als ze zeggen: „ik heb aan God mijne verdoemenis gevraagd; ofwel: „ik heb mijne verdoemenis van God afgevraagd"! De vloekers zijn zichzelven bewust dat ze God aanspreken en dat het tenminste vormelijk op merkelijk oneerbiedige wijze in drift geschiedt; zij zijn zich bewust dat hun,vraag in den vorm eener brutalizeering van God plaats heeft. Wij noemen den vorm der spreekformule tegelijk met den toon waarop die geschiedt eene uitdaging Gods, gelijk het ons ook van oudsher door deskundigen geleerd werd.') Hiermee, geachte Tony, meen ik genoegzaam aangetoond te

*) Zie Proiess: Van Egeren fase. I. de blasphemia, no.14.

Sluiten