Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

II.

Stelt men de goden van Babel tegenover den God Israëls, dan is wel het meest in 't oog loopende verschilpunt de bonte veelvormigheid van Babels pantheon tegenover de streng exclusieve eenheid van Israëls God. Wat Jahve te allen tijde aan Israël inscherpte als zijn eerste gebod, — „gij zult geene andere goden voor mijn aangezicht hebben", — vernemen we nimmer uit den mond van een der Babylonische godheden. De goden van Babel zijn, evenals alle natuurgoden, de tolerantie zelve. Ze zijn immers allen met elkaar de samenvatting van den éénen kosmos in zijne rijke verscheidenheid van krachten. En naarmate de mensch meer goden heeft, staat hij in rijker relatie tot het geheel der dingen. Hoe zou dan een der goden van Babel exclusief kunnen zijn tegenover de anderen? De mensch kan toch niet leven bij de zon alleen, of de maan alleen, of den regen en het onweer alleen! >

Toch heeft men in onze eeuw meermalen gesproken over „monotheïstische stroomingen in de Babylonische religie"15). Nu komt het er slechts op aan, wat men hierbij onder „monotheïsme'' verstaat16). Natuurlijk openbaarde zich ook in Babylonië bij denkende geesten een streven naar zekere eenheid in de bonte verscheidenheid der godenwereld. Hoe zou dit anders kunnen, waar ze toch ook den kosmos als eene eenheid beschouwden ? ■ Telkens ontmoeten we dan ook de neiging om de veelvormige godenwereld in eene zekere eenheid saam te vatten of eene monarcndsche spits er aan te geven. De tempeltorens, vooral die van zeven verdiepingen, zijn te beschouwen als afbeeldingen van het heelal, en dus als representaties van de universitas deorum. Het zevental is immers ook bij de Babyloniërs de uitdrukking der volledigheid, en door te spreken van „de zeven goden" willen ze al wat god is in ééne uitdrukking samenvatten. En daarnaast zien we soms één bepaalden god optreden als inbegrip van het goddelijk wezen. Vooral de he-

Sluiten