Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In Gods gunstbetoon, vroeger, in bange en droeve tijden, die achter lagen, maar ook nu betoond, ligt de wettiging van de blijdschap, die, naar onzen tekst, drijft tot dit samenkomen des volks rondom zijn vorst, zoodat men zich wenscht te verbinden voor immer aan dien God, Die zóó met hen geweest en hen zóó gezegend had.

Zóó hopen en bidden wij, dat nu ook op 7 Januari a.s. het samengroepen van heel ons volk moge zijn om onze Kroonprinses Juliana en haar gemaal Prins Bernhard, en tevens om Koningin Wilhelmina.

Het is heel goed en verkwikkend zelfs, dat zij reeds vanaf 8 September hebben mogen ervaren, hoe spontaan ons volk meeleeft in het lief, dat nu hun deel werd, als voorheen in het leed, dat over hen ging.

Maar nu het vorstelijk huwelijk staat gesloten te worden, nu gevoelen en beseffen we het, dat dit Verbond toch eigenlijk ons allemaal raakt: het levensbelang dier vorstelijke personen en het levensbelang van volk en land, zijn hier beide en tegelijk in denzelfden zin betrokken.

En als we er dan bovendien nog iets van mogen verstaan, dat zóó nu God onzer gedachtig is geweest en ons wil zegenen; dat Hij zóó mèt ons wil zijn, opdat wij met Hem geheven te zijn, i—■ dan zien we te midden van der tijden nood en wee en van nederwerping en verguizing van buitenlandsche vorstenhuizen en kronen, de hooge onderscheiding, die de Heere God in dezen weg ons Vorstenhuis, onze Koningin, onze Prinses, ons Volk, bereidt. En het mag ons verblijdend ontroeren en ontroerend verblijden in het diepst van onze ziel, Gods goedheid en leiding eerbiedig bewonderend.

Aan die blijdschap is reeds op velerlei wijze uiting gegeven en men hoopt dit straks algemeen te doen. Maar zij is slechts gewettigd en heilzaam en vruchtbaar, wanneer wij, zooals Asa zijn volk deed, ons door Juliana. en Bernhard op hun

Sluiten