Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

goderij zelve, zou gedoogen ; en daaraan eerbied schenken. Ik noem dit bezwaar. Ik wijd er niet over uit, opdat niemand zou gaan denken aan dreigementen. Maar dat er spanning en onrust zal komen, daarover moet zich niemand, die ons volk in het hart heeft gezien, verbazen. En de wetgever heeft ook met dezen factor rekening te houden. Ik kan eindigen.

Ik vrees, dat van meer dan ééne zijde onze propaganda tegen het onvoorwaardelijke processie-recht aan antipapisme zal worden toegeschreven. Niet alleen door Roomschen; misschien ook wel door sommige Protestanten. Toch is niets mij zoozeer vreemd als antipapisme. Bij de indrukwekkende samenkomst op Dinsdag 17 Mei in de Nieuwe kerk te Amsterdam heb ik dit met grooten nadruk uitgesproken. Antipapisme zoo goed als antisemitisme is een onding. Men mag wel geblinddoekt zijn, wanneer men niet het vele goede opmerkt dat ons land aan zijne Roomsche burgers heeft te danken. Zij staan met ons voor orde en gezag pal. Zij hebben hun beteekenis voor handel en nijverheid, voor wetenschap en kunst. Zij geven ons menigwerf een voorbeeld door hun godsdienstige trouw en hun werken der barmhartigheid. Ik ontmoet op mijn huisbezoek meer dan eenmaal Roomschen, die ik de broederhand kan reiken omdat ik het van hen gevoel dat zij zich met mij buigen voor een en denzelfden God en Zaligmaker, al is het ook dat zij naar mijne vaste overtuiging „het evangelie onder een deksel" hebben. Ik hoop er voor bewaard te blijven ooit antipapist te worden. Doch laat ik er dan in eenen adem bijvoegen, dat men van Roomsche zijde niet in het euvel van antisemitisme vervalle. Een gedichtje als het onderstaande dat begin November voorkwam in een Boxtelsche krant en vleugels heeft gekregen, zoodat het ook in Friesland en Groningen bekendheid verwierf, doet ontzaglijke schade aan de rust en de goede verstandhouding in den lande. Ziethier:

Sluiten